Column

Dag kereltje

In de marge van het wereldnieuws proberen gewone mensen, X&Y, indruk op elkaar te maken, iets netjes op te lossen of wanhopig hun hachje te redden.

‘Goedemorgen kereltje. Hoe is het dan met jou? Ben je nog lekker bij je mama aan het drinken? Heeft ze nog steeds geen tijd gehad om op te staan en te douchen? Het is toch al bijna kwart voor negen! Ach, wat ben jij toch een knappe vent. Precies je vader, vroeger! Oma dacht: ik kom eens even kijken hoe het met je gaat. Van je mama mag je volgens mij niet naar buiten, want je komt nooit eens gezellig langs bij oma. Nee, hè, je komt nooit eens gezellig een bakje doen bij oma. Jammer is dat, hè? Ja, oma vindt dat ook zo jammer, want ze is ook maar de hele dag alleen. En het is ook juist zo goed voor jongetjes als jij, dat ze nog eens iemand anders zien dan alleen hun vader en moeder. Anders worden ze hartstikke eenkennig. Dat wil jij ook niet, hè, dat je eenkennig wordt? Nee, lief kereltje, dat wil jij ook helemaal niet. Oma wil dat ook niet, hoor. Oma komt je gewoon gezellig opzoeken, zodat jij een sociaal jongetje wordt. Reken maar van yes! Wat fijn dat je al zo lekker wakker bent, vanmorgen. Daar heeft oma maar mooi geluk mee. Wacht, ik zal het gordijn een stukje open doen. Zie je hoe lekker weer het is? Oma en jij kunnen straks fijn een wandelingetje maken, samen. Heb jij daar ook zo’n zin in? Ja, oma ziet het al, daar heb jij ook zin in. Lekker even uit deze muffe slaapkamer weg. Jouw papa vond het vroeger ook zo leuk om te gaan wandelen. En dan kan je mama zich intussen weer eens een beetje mooi gaan maken, hè, voor als je vader weer thuiskomt. Toch, ventje? En voor jou is het goed om even los van je mama te zijn. Hè? Want complexen, daar zit jij toch ook niet op te wachten! Nee, toch? Op complexen zitten wij helemaal niet te wachten!

Ach, kereltje, wat ben je toch een schatje. Houdt mama jou altijd zo vast als je een boertje moet doen? Oma zou toch minstens een doekje onder je kinnetje leggen. Als je dan een beetje melk opboert, zoals nu, zou dat netjes op dat doekje komen. Nu moet je moeder d’r nachtpon in de was. Maar ja, ze wast graag, hè, je moeder. Je vraagt je af, van wie moet jij straks toch leren een beetje aan het milieu te denken?”