Recensie

Wat er na het levende varken komt

Elsbeth Etty grasduint door de stapel nieuwe boeken en geeft haar eerste indruk.

Liefde voor Griekenland inspireerde Mario Molegraaf tot vijftig impressies en beschouwingen aan de hand van korte fragmenten van Nederlandse en Vlaamse dichters en schrijvers die ooit Griekse bodem betraden. Anders dan je zou verwachten geeft hij niet de voorkeur aan classici zoals Gorter en Leopold, hoewel Ida Gerhardt niet ontbreekt. ‘Het wonder van haar werk is hoe Holland en Hellas samengaan. Bijvoorbeeld in gedichten waarin afgezanten van het nog onbedorven Holland (…) kampioenen van Plato blijken.’

De Parnassus is niet uitsluitend de mythische berg waar de poëten wonen, maar ook een berg van sneeuw en steen. Het gaat Molegraaf om het klassieke, maar vooral ook om het hedendaagse Griekenland. Nederlandse auteurs schreven al in de 16de en 17de eeuw over hun bezoeken aan het land. Maar bij figuren als Emants en Couperus komt Molegraaf echt op stoom. De titel van de bundel [1] ontleent hij aan A.H. Nijhoff, echtgenote van de dichter M. Nijhoff: ‘De Griek weet wat blauw is. Zijn hemel heeft hem er het geheim van geleerd.’

Over de meeste literaire Griekenlandgangers schrijft Molegraaf bewonderend, maar hij kan, bijvoorbeeld over Connie Palmens roman Lucifer, ook kritisch, om niet te zeggen vals uit de hoek komen.

Liefde voor Zeeland inspireerde Jan Campert (1902-1943) bijna negentig jaar geleden tot een ode aan Walcheren. In een serie van 34 artikelen voor het weekblad Ons Zeeland onder de titel ‘Uit een jeugd’ tekende hij zijn herinneringen op aan de vijftien jaar die hij als zoon van een huisarts in Westkapelle, doorbracht op Walcheren. Neerlandicus Ans Dingemanse-Dieleman en historisch geograaf Aad de Klerk bundelden de artikelen in het van adequate toelichtingen en illustraties voorziene boekje Herinneringen aan Zeeland [2].

Jan Campert, bekend van zijn verzetsgedicht ‘Het lied der Achttien Dooden’, was behalve dichter en schrijver ook journalist en columnist. De impressies van zijn kindertijd in Westkapelle ademen de sfeer van Theo Thijssens Jongensdagen, die van de romantische middelbare scholier in Middelburg doen denken aan Simon Vestdijks Terug tot Ina Damman.

De bezorgers van deze aandoenlijke memoires laten zien hoe Camperts ‘eeuwige verliefdheid’ op Walcheren zijn poëzie heeft beïnvloed. Het boekje opent met een hartbrekend gedicht van zoon Remco over zijn vader, dat zo eindigt: ‘Ik omhels hem snikkend/ eindelijk thuis.’

Liefde voor de revolutie inspireerde Joeri Olesja (1899-1960) tot het verhaal ‘Menselijk materiaal’. Zijn vader zag een ingenieur in hem, zelf voelde hij zich schrijver of wel ‘ingenieur van menselijk materiaal’. ‘Luid roep ik: „Leve de reconstructie van het menselijk materiaal, het alomvattende sleutelen aan een nieuwe wereld.”’ Niet veel later zou Stalin voorbeeldige socialistisch realistische Sovjetschrijvers, met een verwijzing naar Olesja, ‘ingenieurs van de menselijke ziel’ noemen. Maar degene die deze term had gemunt, was alles behalve een ideale pro-Sovjetauteur auteur. Hij leed onuitsprekelijk onder de censuur die hem werd opgelegd en verdedigde zijn ‘recht op wanhoop’.

Anders dan Isaac Babel overleefde Joeri Olesja de terreur, maar het schrijven werd hem vrijwel onmogelijk gemaakt. In de bundel Verhalen [3] is werk verzameld dat hij eind jaren ’20 en begin jaren ’30 maakte. Het is minder bekend dan Afgunst (1927), door Nabokov aangemerkt als de beste roman in de Sovjet-Unie verschenen, maar evengoed meesterlijk. Indrukwekkend is het nawoord van vertaler Gerard van der Wardt. Een citaat uit het verhoor door de NKVD van Isaac Babel, een paar maanden voordat hij op last van Stalin werd doodgeschoten, valt nauwelijks met droge ogen te lezen.

Van alle Franse surrealisten, zoals André Breton, Paul Eluard of Louis Aragon, is dichter-schrijver Robert Desnos (1900-1945) hier misschien de minst bekende. Ten onrechte, blijkt uit Een zwijnenboel & andere vertellingen [4] een keuze uit de meer dan een halve eeuw na zijn dood gepubliceerde novelles. Desnos werd door Breton beschouwd als de beste beoefenaar van de surrealistische ‘écriture automatique’, hij brak in de jaren dertig met de surrealisten, leidde een onstuimig leven, werd in 1943 gearresteerd als verzetsman en overleefde de martelgang door de Duitse concentratiekampen niet.

De nu vertaalde vertellingen zijn ongerijmd, onbedaarlijk humoristisch, ongrijpbaar en tragisch. Iemand wint in de loterij op de kermis behalve vijftien kilo suiker een levend varken genaamd Polydorus. Zo begint, als een vreemde maar eenvoudige gebeurtenis uit het dagelijkse leven, een totaal krankzinnig verhaal. Het ontspoort in een trance, een kwade droom waarin de ene absurditeit op de andere volgt. Dan eindigt het in een explosie van geweld en bloed. Eindigt? Nee, gewoon, ‘het verhaal houdt hier op, waarom is onbekend.’