Opinie

Single? Je mist de gezelligheid, maar ook zijn dementie

Opinie Getrouwde mensen waarderen de ‘happy sounds’ van hun relatie niet genoeg. Al zijn er ook nadelen aan samen oud worden, ziet de gescheiden bij haar vrienden. „Ze staan voor de loodzware opdracht om opgewekt en daadkrachtig te blijven voor twee.”

Foto Getty Images

Hebben vrouwen een man nodig, en zo ja, waarvoor? Dat was de vraag die ik onlangs moest beantwoorden op verzoek van een vriendin, Daniela Hooghiemstra, die haar eerste roman ten doop hield en van mij verwachtte dat ik een luchthartige maar toch prikkelende inleiding zou verzorgen.

Het eerste wat me toen te binnen schoot was de uitspraak van Gloria Steinem, die in de jaren zeventig – enigszins neerbuigend – stelde dat een vrouw een man nodig heeft zoals een vis een fiets. Dat was even vernietigend als geestig, het is niet voor niets in mijn geheugen blijven hangen, maar de gewone ervaring leerde toch anders, want in de praktijk zag ik hoeveel moeite de gemiddelde vis ervoor over had om een beetje knappe fiets op de kop te tikken. Desnoods tweedehands, als het niet anders kon, wat vaak tot veel opwinding en tumult in de vissenkom leidde.

En geen wonder, want dezelfde gewone ervaring leert dat de meeste mensen een bestaan met zijn tweeën plegen te verkiezen boven het leven als alleenstaande. Om de voor de hand liggende reden dat de meeste dingen die mensen doen – van de zaterdagse boodschappen tot kinderen krijgen, en ruim van tevoren plannen waar ze deze zomer nu weer eens op vakantie zullen gaan – een stuk leuker en gemakkelijker zijn als je het allemaal niet in je eentje hoeft te bedenken en te doen.

Mijn stelling was dus dat vrouwen inderdaad een man nodig hebben. Niet voor de seks, want er zijn genoeg loslopende exemplaren die dat goedje royaal in de aanbieding hebben, daar heb je geen inpandige echtgenoot voor nodig.

opiauteur Brunt Emma

En ook niet voor het moederschap, aangezien een slimme meid – zo-een die op het tikken van haar biologische klok is voorbereid – altijd wel kans ziet om aan een portie aantrekkelijk zaad te komen. Zo zuinig gaan mannen daar niet mee om, zoals de meeste vrouwen uit ervaring weten.

Nee, zelfs voor het geld hoeven veel vrouwen niet op zoek te gaan naar een man, dus er blijft maar één verklaring over voor het feit dat mannen nog steeds een felbegeerd artikel zijn, en dat is dat ze voor gezelligheid zorgen, voor leven in de brouwerij. En het omgekeerde is natuurlijk ook waar: mannen willen vroeger of later een vrouw om bij te blijven, omdat het ze tegen gaat staan om ’s avonds thuis te komen in een leeg huis.

Getrouwde mensen zijn geneigd om het belang daarvan te bagatelliseren, omdat het na verloop van jaren zo vanzelfsprekend wordt dat er altijd iemand om je heen is waartegen je kunt praten, doorgaans over niks, zonder dat je daar eerst je agenda voor hoeft te trekken. Maar gescheiden mensen – zoals ik – weten donders goed wat ze missen en hoe geruststellend het is als er ook eens iets in beweging komt zonder dat je daar zelf met een druk op de knop voor hebt moeten zorgen. Renate Rubinstein constateerde na haar scheiding in een van haar columns dat ze sindsdien opeens in een „leeg huis” woonde en voegde daaraan toe dat ze dat minder larmoyant bedoelde dan het klonk. Maar dat het „toch wel frappant was dat zich achter elke deur die ze open deed zo helemaal niemand bevond”.

Juist, daar gaat het om, en in samenspraak met Geert Mak, ooit mijn bovenbuurman, heb ik het geheim van een gelukkig huwelijk gaandeweg leren benoemen als de aanwezigheid van happy sounds. Bijvoorbeeld het geluid van het koffiezetapparaat in de keuken, ’s ochtends vroeg, als je zelf nog maar half wakker bent, en het nachtelijke geratel van een schrijfmachine (ja, deze herinnering dateert van dertig jaar geleden) drie kamers verderop, terwijl je zelf ook op je stugge Adler kantoormachine zit te tikken, maar intussen al met een half oor luistert naar de verlossende woorden van je partner, die straks onderaan de trap zal staan en roepen: „Ik ben klaar hoor en ik ga nu een flesje open trekken. Heb jij nog lang werk? Of zal ik voor jou ook maar vast inschenken?”

Die nostalgie deelde ik dus toen ik dat praatje hield voor de boekpresentatie van Daniela, in de veronderstelling dat het een wijd open deur zou zijn, maar tot mijn verbazing ontstond er in de dagen daarna een levendige discussie op Facebook, met name vanwege die happy sounds. Tja, er zijn natuurlijk ook huwelijken waarin gekibbel de boventoon voert, vooral als het gaat over de vraag wie de vaatwasmachine in moet ruimen en wie de vuilniszakken buiten zet. Unhappy sounds dus, waar ik niks aan af doe, maar wat volgens mij de kern van mijn betoog niet raakt. Soms kreeg ik zelfs de indruk dat iedereen die er zo’n uitgesproken mening op na hield over een volslagen ander soort huwelijk praatte, en pas veel later besefte ik dat dat ook letterlijk het geval was.

Want waar verlang ik nou toch steeds zo koppig naar terug? Niet naar die specifieke man geloof ik, die herinnering is verbleekt, maar wel naar een bepaalde fase in mijn leven, toen ik zo ergens tussen de dertig en de veertig was: twee kinderen die zoet liggen te slapen onder een veilig dak, journalistieke bezigheden die nog zo nieuw waren dat ik elk stukje ervoer als een enerverend avontuur, en dan ook nog de luxe dat ik inmiddels kon denken in termen van ‘wij’, dat ik aan de eenzaamheid van het puberbestaan was ontsnapt.

Pas door dat gekibbel op Facebook – over happy of juist unhappy sounds – realiseerde ik me dat die leuke rommelige fase sowieso voorbij gegaan zou zijn, dat het maar een intermezzo was. Want stel dat ik op mijn veertigste niet gescheiden zou zijn, wat dan?

Ik ben inmiddels 72 en wat ik van bijna al mijn getrouwde vriendinnen hoor is dat ze dubbel lijden onder het ongerief van de ouderdom. Of ze krijgen zelf iets dat ze lichamelijk minder valide maakt, waardoor ze afhankelijker worden van hun partner dan hen allebei lief is, of hun man begint af te takelen en ze staan voor de loodzware opdracht om opgewekt en daadkrachtig te blijven voor twee. Alleen in mijn eigen omgeving ken ik bijvoorbeeld al drie gevallen van Lewy body dementia, een echte sloper, die de hersenfuncties razendsnel aantast met inbegrip van de spraak, zodat er al gauw geen enkel contact met de patiënt meer mogelijk is.

Dan is het dus zaak om afscheid te nemen van een beminde alsof hij of zij daadwerkelijk is overleden, want ze kennen je niet meer, ze zijn onbereikbaar geworden; maar dat neemt niet weg dat je nog steeds op gezette tijden naar het verpleegtehuis zult moeten, om naast dat bed te gaan zitten en je bloemetje en een schone pyjama af te leveren bij het zusterstation. Mij lijkt dat een enkeltje naar de hel. En ten slotte – als dat allemaal is doorstaan – zullen de nabestaanden zichzelf weer helemaal opnieuw moeten uitvinden, in de vorm van een ‘ik’ in plaats van een ‘wij’. In zo’n verontrustend leeg huis dat gescheiden mensen meestal al lang hebben leren temmen.

Samen oud worden, het klinkt zo aanlokkelijk en het wekt nog steeds mijn afgunst als andere mensen dat stadium van hun huwelijk bereiken. Maar wat ik er in de praktijk van zie is vaak nogal treurig of zelfs ronduit grimmig. En misschien is dat een (toegegeven: schrale) troost voor alle romantici die zich nooit helemaal hebben kunnen verzoenen met het verlies van hun Eerste Grote Liefde: het was sowieso maar voor even, dat stond van meet af aan vast, al besef je dat nog niet in het begin, want je blijft geen vijfendertig – met of zonder man.

Of, zoals mijn oude vriend Louis Tas met sardonisch genoegen placht te zeggen: Alle begin is moeilijk, maar daarna gaat het snel bergaf.