Praten over Europees leger is recept voor mislukking

nrcvindt

Gebabbel. Zo kwalificeerde minister Jeanine Hennis (Defensie, VVD) deze week in de Tweede Kamer de gesprekken tussen de Europese ministers van Defensie van de afgelopen twee jaar over nauwere samenwerking op hun werkterrein. Ze heeft gelijk. Het aantal notities en bijeenkomsten over een gezamenlijke Europese defensiepolitiek is eindeloos. Maar het netto-resultaat staat gelijk aan nul. Dat wil zeggen: zo lang het gaat over samenwerking langs de vaste Europese institutionele structuren met (nu nog) 28 lidstaten.

Want buiten die kaders om weten lidstaten elkaar wel degelijk te vinden. De Nederlandse krijgsmacht werkt steeds meer en steeds intensiever samen met gelijkgezinde landen. De Nederlandse en Duitse landmachteenheden zijn verregaand geïntegreerd, Nederland is samen met België verantwoordelijk voor de bewaking van het luchtruim, er is nu ook sprake van dat beide landen samen fregatten en mijnenjagers gaan aanschaffen. Geschatte kosten voorlopig: 4 miljard euro. Als dit laatste doorgaat betreft het de grootste gezamenlijke materieelaanschaf uit de historie.

Anders gezegd: wat van bovenaf blijft steken in gebabbel, lukt van onderop wel degelijk. Het theoretische vergezicht legt het af tegen de praktische invulling. In zekere zin is het de manier waarop de Europese Unie zich in zin totaliteit aan het ontwikkelen is. Binnen het grote kader ontstaan op allerlei terrein kopgroepen tussen individuele lidstaten. Het is de enige werkbare manier om uiteindelijk tot echte Europese samenwerking te komen.

Waarbij de vraag is wat hieronder moet worden verstaan. Voor de ware Europese federalisten is het einddoel helder: een Europese Defensie Gemeenschap. De verkiezing van Donald Trump tot president van de Verenigde Staten was voor de fractievoorzitter van de liberalen in het Europees Parlement, de Belg Guy Verhofstadt, aanleiding om zijn pleidooi hiervoor nog eens te herhalen. Er dient volgens hem één Europees commando te komen met één gemeenschappelijk aanbestedingsplan.

In de Tweede Kamer toonde minister Hennis zich deze week tijdens de behandeling van haar begroting gelukkig aanzienlijk nuchterder. Als van bovenaf „een soort verstikkende opdracht wordt gegeven aan de lidstaten, komt er van die Europese defensiesamenwerking helemaal niets terecht”, zei zij. En inderdaad, wensdenken over een Europees leger, voorzitter Juncker van de Europese Commissie bezondigde zich hier eerder ook al aan, staan de ambitie om praktisch samen te werken alleen maar in de weg.

Een begrip als ‘Europees leger’ vertroebelt de discussie nodeloos. In NAVO-verband heeft de Nederlandse krijgsmacht de afgelopen jaren diverse keren operationeel samengewerkt, ook onder buitenlands commando. Toch spreekt terecht niemand over een NAVO-leger. Het past wellicht niet helemaal in het Defensie-jargon, maar de ‘organische aanpak’ is hier toch het best.

Begin deze week werden de Europese ministers van Buitenlandse Zeken en Defensie het in Brussel eens over een ‘implementatieplan’ om de defensiesamenwerking te verdiepen. Trumps waarschuwende woorden tijdens de Amerikaanse verkiezingscampagne dat hij niet meer van plan is de defensierekening voor Europa te betalen, waren weliswaar niet de aanleiding, maar hebben wel momentum gecreëerd.

Het komt er nu op aan dat er dat Europa zich voorbereidt op het nemen van eigen verantwoordelijkheid. Dat kost geld en autonomie. Maar het vraagt allereerst om realisme.