Recensie

In de ochtendmist leek het kamp even als een film

Het is de moeder aller leesreflexen, levensbedreigend voor talloze onschuldige bomen en misschien ook wel reden tot zachtmoedige verslavingszorg: de dwanggedachte die je ineens kan bespringen als je een boek leest, waarin een andere titel wordt genoemd, waarna je alleen nog maar kan denken: WAAROM HEB IK DAT BOEK NIET? Deze week besprong die vraag me toen ik in de jeugdbrieven van Arnon Grunberg las hoe hij op zijn twintigste de verzamelde toneelteksten van Judith Herzberg persklaar maakte. (Een paar brieven verder, met het zetwerk van Herzberg misschien nog voor zijn ogen dansend, legde Grunberg in een andere brief omstandig uit waarom hij geen tweede-generatieauteur wil zijn – of wilde zijn.)

Het toneel van Herzberg is inmiddels besteld, dankzij sites als antiqbook.com en boekwinkeltjes.nl heb ik elke hoop op zelfbeheersing verloren. De zich zelden in het openbaar vertonende Herzberg is (met onder anderen Marcel Möring, Jessica Durlacher en Sana Valiulina) volgende week vrijdag aanwezig op het aan de literaire getuige gewijde symposium van de Jan Campert Stichting – wat ik even doorvertel omdat ik in het bestuur van die stichting zit. Daar zal het onder meer gaan over het werk van Judiths vader Abel Herzberg, van wie onlangs Amor fati en Tweestromenland samen zijn herdrukt. Ik had het nooit gelezen. Amor fati bestaat uit de stukken die Herzberg in 1946 voor De Groene schreef over Bergen-Belsen, in een poging om bij te dragen ‘aan het inzicht in datgene waartoe de mens in staat is en waartoe hij, als men niet oppast, kan worden gebracht’. In Amor fati is het kwaad niet symbolisch, zoals in de gestreepte pyjamaboeken, Haar naam was Sarah’s en hoe ze verder allemaal heten. Het gaat over waarom ‘misdadiger’ wel een kwalificatie is, maar geen verklaring. Over de wellust van de nazi’s: ‘Er was geen sprake van enige aarzeling of bedenking, laat staan van enig terugschrikken voor het uiterste en het ergste. Er was niet eens sprake van onbewogenheid of onverschilligheid [...] er was overal en altijd de wrange grijns van het leedvermaak over de huilende jammer beneden hen, onder hun onberispelijk gepoetste laarzen. En alleen een enkele keer kon men een eenvoudig soldaat horen mompelen: „Junge, junge, das is doch ooch a Mensch.”’

Maar ook, even mooi als angstaanjagend, over het elke ochtend tellen van de gevangenen in het kamp – en dat het niet echt leek. ‘Het was film, het was schimmenspel, de vage figuren van mannen en vrouwen op de grens tussen dag en nacht uit de sombere dompige barakken te zien treden in de gehate schemering van motregen en mist.’ Wie Amor fati kent, weet nu dat ik pas op pagina 51 ben. En dus nog veel te lezen heb. In een variatie op de banale bezitsreflex aan het begin van dit stukje: daarom heb ik dit boek wel.