Interview

‘In de kunstwereld draait alles om status en geld’

Barbara Visser

Kunstenaar Barbara Visser wordt vanaf januari een jaar directeur van het documentairefestival IDFA, dat deze week begon in Amsterdam. Ze is ook voorzitter van de Akademie van Kunsten. Hoe combineert ze beleid, management en creativiteit?

Kunstenaar Foto Lars van den Brink

Nog even kan Barbara Visser aan een kunstwerk werken in haar studio in het oude pathologische lab van het Wilhelmina Gasthuis in Amsterdam. Haar vaste kompaan en researcher Bart Haensel zit er achter een bureau met hoge stapels research voor haar film over het schilderij Who’s Afraid of Red Yellow and Blue van Barnett Newman.

Na het draaien van die film gaat Visser drie rollen combineren. Per 1 januari wordt ze voor een jaar directeur van IDFA, het documentairefestival waar ze deze en volgende week rondloopt als toeschouwer die onderzoekt wat ze anders wil doen. Ze is sinds 2014 voorzitter van de Akademie van Kunsten.

„Toen ik bij IDFA vroeg of het een volledige baan was, antwoordden ze ‘het is een way of life’.” Vindt ze dat erg? „Nee. Ik maak niet zoveel verschil tussen dingen maken en dingen mogelijk maken. Als ik mensen kan verbinden die elkaar anders nooit tegenkomen, dan heb ik ook het gevoel dat ik iets maak. Ik geloof niet dat ik een volledig autonoom kunstenaar ben die alleen aan zichzelf genoeg heeft.”

De kunstenaar

De film waar Barbara Visser nu aan werkt – werktitel The End of Fear – gaat over een schilderij dat haar al fascineert sinds haar negende, toen ze in het Stedelijk een woede-aanval kreeg bij het zien van Who’s Afraid of Red Yellow and Blue. „In mijn plan voor het Filmfonds schreef ik dat dit schilderij tussen mijn 9e en 13e symbool stond voor alles wat ik haatte en tussen mijn 14e en 20e voor alles wat ik fantastisch vond. Tussen mijn 21e en 30e raakte het aan allemaal vragen die ik had toen ik op de kunstacademie zat.”

Newman schilderdeWho’s Afraid of Red Yellow and Blue in haar geboortejaar, vijftig jaar geleden. Dertig jaar geleden zette een vernieler in het Stedelijk zijn mes in het abstracte doek. Een schandaal brak los toen bleek dat restaurateur Daniel Goldreyer het schilderij met een verfroller had overgeschilderd.

Na de vernieling werden op de Rietveld Academie, waar Visser op dat moment studeerde, niet de vragen gesteld, waar ze mee worstelde. Dus stelt ze die nu in de film: „Wie bepaalt de waarde van kunst, waarom is iets kunst, wanneer beschouwen we het als echt en wanneer als kopie, welke belangen beschermen mensen en musea die zeggen dat het werk sinds de restauratie van Goldreyer goed is?”

Het schilderij werkt nu als een prisma, stelt Visser. „Via dit schilderij krijg je zicht op zoveel belangen die niet over kunst gaan, maar over status, positie en geld. Het is zoals Jan Hoet schrijft in het boekje dat daar ligt: De vandaal is de enige die van kunst houdt, omdat hij zich er belangeloos toe verhoudt. Er zijn duizenden pagina’s papier geproduceerd, talloze raadsvergaderingen gehouden, een wethouder is gesneuveld. Als je het terugredeneert, allemaal om een stuk linnen met verf erop.”

In het archief van het Stedelijk vond ze felicitatiebrieven van mensen die na de vernieling schreven: ‘Eindelijk gerechtigheid’ en een bandopname van een telefoongesprek van de dader die na de restauratie aan Rudi Fuchs aanbood het doek opnieuw te ‘verbeteren’. Er dook een verloren gewaande video uit Amerika op met opnames uit het atelier van Goldreyer, waarin mensen over het doek lopen, er een handje spijkers op gooien en er met een stofzuiger overheen gaan.

Ze filmde voor een wit doek met de omvang van Who’s Afraid professionals die het werk voor de vernieling goed hebben bestudeerd, en een groep kinderen die in het depot naar het schilderij gingen kijken. Ze liet een kunstenaar die na 1986 is geboren een reconstructie maken. „Die zei: ‘dat doe ik wel even’, maar ze was maanden bezig. ‘Is dit het?’ vroeg ik haar, toen ze klaar was. ‘Ja dit is het, maar ook weer niet’, was haar antwoord. ‘Want de olieverf moet nog drogen en kan van kleur en diepte veranderen.’ Toen viel bij mij het kwartje waarom Goldreyer misschien niet anders kon dan het hele vlak te bewerken. Want als hij alleen retouches had gedaan, waren die ook gaan veranderen en was het werk met het jaar lelijker geworden.”

De directeur

Eng vindt Visser het niet om directeur te worden van IDFA, een machine van 25 man die het hele jaar doordraait. „Ik vind het wel eens eng dat ik het niet eng vind”, zegt ze.

Ze beseft dat ze een buitenstaander is, waardoor hardcore-documentairemakers zich afvragen of er wel genoeg aandacht zal zijn voor hun journalistieke werk. Of kunstfilms hun werk niet zullen verdringen. Zorgen om niks, stelt Barbara Visser. Ze zal hooguit voor een accentverschuiving zorgen. „Je kunt bij films naar het maatschappelijk belang kijken, je kunt naar het artistieke belang kijken. In het beste geval gaat dat gelijk op. Maar uiteindelijk moet je kiezen voor de beste film, daarmee wordt het maatschappelijk belang het best gediend.”

Films waarin beeldend kunstenaars actuele thema’s oppakken en documentaires bewegen toch al naar elkaar toe. „Een paar jaar geleden was er nog een rel op IDFA over iemand die iets had geënsceneerd in zijn film. Dit jaar is de openingsfilm een mengvorm tussen documentaire en fictie. Het gaat erom wat je wilt vertellen, niet hoe je het vertelt. Als je een camera ergens opzet, dan grijp je toch al in de werkelijkheid in. Dat besef wordt steeds groter.”

Het gevoel bekruipt haar dat ze zich misschien meer thuis voelt in de film- dan in de kunstwereld. „Ik was op een documentairefestival in Sheffield. Daar praat iedereen over films, over wat ze aan het maken zijn, of dat wel of niet lukt. In de kunstwereld praat nooit iemand over kunst. Op kunstbiënnales gaat het veel over geld, over status, er is een hoop ijdelheid. Vroeger was het hoogst bereikbare een solotentoonstelling in een groot museum, nu is dat het hebben van de grootste stand op Art Basel. Ik ben niet tegen de kunstmarkt, maar dit is armoedig. In de documentairewereld loopt iedereen bij wijze van spreken in zijn spijkerbroek en is men in zijn hoofd bezig met films.”

De voorzitter

De eerste twee jaar als voorzitter van de Akademie van Kunsten, in 2014 opgericht door de Koninklijke Akademie van Wetenschappen, vond Barbara Visser lastig. Een paar keer dacht ze ‘jongens, zoek maar een ander’, vertelt ze.

Enthousiast was ze voorzitter geworden toen de Akademie twee jaar geleden met 19 leden startte. Ze besloot direct dat de Akademie het niet over geld moest hebben maar over de waarde van kunst, vooral „omdat zelfs ministers of staatssecretarissen die niet meer uit kunnen leggen”.

Inmiddels heeft de Akademie 46 leden, allen „individuen die niet tot een groep willen behoren”. Schrijvers als Arnon Grunberg en A.F.Th. van der Heijden, filmers als Anton Corbijn en Paula van der Oest, acteurs als Adelheid Roosen en Gijs Scholten van Aschat, architecten als Francine Houben en Adriaan Geuze.

Toen Visser een concept rondstuurde van een lezing die ze zou houden bij de opening van het culturele seizoen, roerden de leden zich. „Het was een nachtmerrie. De vraag kwam: Waarom denk je dat je namens ons allemaal kunt spreken? Er gingen eindeloos e-mails heen en weer over woordgebruik en wat ik wel en niet kon zeggen.” Tot het jongste Akademielid, Colin Benders ( Kyteman), een mailtje van een paar regels stuurde: „‘Kunnen we niet doen dat iedereen namens de Akademie mag spreken, maar altijd alleen op persoonlijke titel’. Dat vond ik geniaal. En tot op heden gaat dat goed.”

Een „krankzinnig ritueel” voor de inauguratie van de tweede groep leden, in de Stadsschouwburg, sneuvelde – de KNAW vond dat een te groot risico. „Een journalist zou kunnen schrijven, ‘nou, nou, van ons belastinggeld wordt er een raar feestje georganiseerd’. Ik accepteerde dat toen nauwelijks”, zegt Visser. „Maar ik heb een hoop geleerd: de zorgvuldigheid van de wetenschap is voor mij een voorbeeld.”

In Den Haag praat de Akademie inmiddels volop mee. „Doordat we onderdeel zijn van de KNAW kregen we snel een status, toen we die eigenlijk nog moesten verdienen.”