Het averechtse effect van het stadse groen

Vlak voor hij voorgoed in vergetelheid zou raken besloot staatssecretaris Martijn van Dam om de Nederlandse natuur iconisch te maken. Hij ging onze natuur op de kaart zetten, hij ging die verkopen in het buitenland. De Chinezen en Amerikanen moesten niet denken dat wij hier alleen sex en drux hadden. Wij hadden ook wadden.

Ook de Hollanders zelf ging staatssecretaris Van Dam weer de natuur in lokken, althans de Nationale Parken waar hij het voor het zeggen had. Eerst mochten de Hollanders in een leuke wedstrijd bepalen wat ze het leukste park vonden en daarna zou de staatssecretaris het park nog leuker maken. Want hij wist al vanaf het begin dat het aan leukheid schortte. Er kwamen geen verhalen uit die parken, daarom bleven die parken verborgen. Zo konden zakenlui er geen zaken doen.

Eigenlijk is een Nationaal Park gewoon een merk, wist staatssecretaris Van Dam, die voor economische zaken werkt. Het is een merk dat je kunt inzetten en waarvoor je de vraag moet stimuleren.

Hoe, dat wist hij ook. Met extra fietspaden. Met kopjes koffie. Maar ook met een avonturenpark, een kabelbaan, een klimparcours, met drijvende restaurants en vakantiehuisjes die door ondernemers met picknickmanden vol streekproducten werden afgelopen.

Het kan gekker

„Het kan vast nog gekker”, zei staatssecretaris Van Dam op de dag dat hij zijn visie ontvouwde.

Gekker kan het altijd. Maar hij heeft gelijk. Natuur ontleent geen waarde aan zichzelf. Zij krijgt pas betekenis als mensen haar betekenis toekennen en hoe meer mensen dat doen hoe beter het is. De logica voert onverbiddelijk richting restaurants in smulbossen. Je kan dat een dilemma noemen.

Dit brengt ons op een kwestie uit het stedelijk milieu: de omgang met de bomen in de stadsjungle die tegenwoordig ‘urban forest’ heet. Zoals het bos dat min of meer vanzelf opschoot door staatssecretaris Van Dam wordt gekoesterd omdat gastvrijheidseconomen er goud in zien, zo koesteren veel stadsbewoners de bomen die de plantsoenendienst destijds neerzette omdat dat zo aardig stond. Een stukje natuur dat naar de mensen was gebracht. Moeten er meer van zulke bomen komen, dat is de vraag.

Vreemd genoeg is ‘leuk’ geen argument dat de plantsoenendienst nog graag hanteert en de groenliefhebbers in de grote steden weten dat. Daarom dichten zij hun iepen, linden en platanen een nieuwe rol toe: de bomen staan pal in de broeikasproblematiek. Ze geven schaduw, houden de stad koel, nemen CO2 op (zolang ze leven) en vervullen een rol in de waterberging. Bovendien verbeteren ze de luchtkwaliteit. Dat laatste wordt misschien nog het meest genoemd. De bomen, en struiken en andere gewassen, zouden kwalijke gassen opnemen en stofdeeltjes vastleggen. Stikstofoxiden, roet en het beruchte fijnstof om precies te zijn. Hoe meer groen hoe minder vuil.

Groen is geen wondermiddel

Dit is een misverstand, noteert de website van de Amsterdamse GGD. Groen is geen wondermiddel. ‘In drukke straten kan de aanplant van groen, helaas, juist een averechts effect hebben.’ De dienst verwijst naar een studie van het RIVM (Het effect van vegetatie op de luchtkwaliteit, 2011) die het nog rauwer zei: ‘Bomen en planten kunnen de luchtkwaliteit in een stad niet significant verbeteren en kunnen die zelfs verslechteren.’

Het RIVM weet hoe het misverstand ontstond: men heeft te lang gekeken naar het vuil dat het gewas verzamelde, niet naar wat dit betekende voor de concentratie van het vuil in de lucht. Dat was niets of bijna niets.

Inmiddels neemt het aantal studies naar de invloed van vegetatie op stedelijke luchtvervuiling snel toe. Er zitten veel modelstudies tussen en proeven met windtunnels waarin nagebouwde stadswijken met nagebootst gewas en allerlei miniverkeer is ondergebracht. De studies demonstreren het effect van bomen op de natuurlijke luchtstroming.

Bomen en planten kunnen de luchtkwaliteit in een stad verslechteren

Al naar gelang de lengte en breedte van de straten, de hoogte van de gebouwen ernaast en de richting van waaruit ze door de wind worden aangeblazen ontstaan karakteristieke luchtstromingen met wervels en tegenwervels. Hoge bomen remmen de stromingen af en de brede kronen belemmeren de ventilatie van de straten. Dan blijven meer uitlaatgassen op voetgangersniveau hangen dan zonder groen het geval was geweest.

Alleen heel laag gewas dat voldoende ‘open’ is om lucht door te laten maar tegelijk voldoende ‘dicht’ om enige filtercapaciteit te bezitten kan wat bijdragen aan bescherming van voetgangers. Op voorwaarde dat het zich tussen de stoep en de rijweg bevindt. Maar eigenlijk voldoet een ondoordringbaar scherm van vier meter hoog daar nog het best.

Er is een kleinigheid waar de AW-redactie mee zit. Op het dak van een vierkant, leuk gedecoreerd huisje langs de Amsterdamse Jan van Galenstraat monteerde de GGD een jaar of tien geleden intrigerende apparatuur voor het opzuigen van stadslucht die op NO, NO2, roet en fijnstof onderzocht wordt. Dit huisje staat onder platanen die elk jaar groter worden. Ontstaat zo niet automatisch de indruk dat de lucht daar bij dat huisje almaar viezer wordt?

GGD-adviseur Saskia van der Zee kent de ‘bomenfactor’ maar al te goed. Ze wil niet per se uitsluiten dat de platanen een invloed hebben, maar gelooft dat de brede Jan van Galenstraat nog steeds goed geventileerd wordt. Het zou niet juist zijn om nergens onder bomen te monsteren, zegt ze. De bomeninvloed is immers reëel. Gelukkig is hij meestal niet groot.