Is jouw woonwijk al overgenomen door deze subtropische mier?

Biologie Subtropische mieren rukken op. Zoals het mediterraan draaigatje. Hij ondergraaft trottoirs, trekt huizen in, en maakt alles plakkerig. Bestrijding vraagt een gigantische operatie.

Mediterraan draaitgatje (Tapinoma nigerrimum) met voedsel. Alamy Stock Photo

Het is koud en het regent. Alle kleine kriebelbeestjes zijn al in winterrust, ergens diep weggekropen. Maar hier, tegen een tuinmuur in een Wageningse woonwijk, loopt toch een lint van miertjes recht omhoog. En nog één, daarginds tegen een huis op. En daar over de stoep. Overal langs de muren ligt zand, soms wel tien centimeter dik. Dat hebben de mieren omhooggewerkt, van onder de tegels. Jinze Noordijk van Stichting EIS Kenniscentrum Insecten, gelieerd aan Naturalis, wipt een stoeptegel omhoog: „Kijk, hier krioelt het ervan. Voor Nederlandse mieren is het nu al te koud, maar deze zijn nog actief.”

Wat we hier zien is een superkolonie van uitheemse mieren: het mediterraan draaigatje. Een klein zwart miertje waar weinig bijzonders aan te zien is. Hij heet ‘draaigatje’ omdat hij zijn achterlijf alle kanten op kan draaien om een bijtend zuur naar belagers te spuiten.

De ondergrondse kolonie bevindt zich onder een stoep en strekt zich uit over maar liefst 120 meter. Als we hier in de zomer zouden terugkomen, dan zou de omvang ervan zich pas echt openbaren, aldus Noordijk. Je zou overal mieren zien marcheren, overal typerende kraters zien van omhoog gewerkt zand bij de nestopeningen. Dan zouden de mieren massaal over je armen omhoog lopen als je een tegel zou oplichten. En dan zou de kolonie waarschijnlijk alweer een stuk groter zijn.

Het is zulk vies weer dat we het gesprek binnen voortzetten. Dat kan gemakkelijk, want Noordijk woont vlakbij. Toeval, dat exotische mieren uitgerekend onder de neus van een mierenkenner neerstrijken? „Nou, nee”, zegt Noordijk. „Ik fietste hierlangs en zag die kraters. Hee, dacht ik, wat is dat nou? Toen heb ik even een paar mieren meegenomen.”

Insectenposters

Dat was de eerste waarneming van de soort in Nederland, twee jaar geleden. Op drie andere plaatsen in Nederland zijn ze inmiddels ook al gemeld, alle drie dit jaar. „Maar ze zitten ongetwijfeld al op veel meer plekken. Het is dat ik ze hier toevallig ontdekte, omdat ik altijd op dat soort dingen let.”

Beroepsdeformatie, blijkt al snel. De zolder van Noordijks huis lijkt wel een depot van Naturalis. Overal potjes met insecten en spinnen, bakkenvol plastic doosjes, insectenposters, een microscoop. „Kijk, deze Braziliaanse zwerfspin komt uit een Nederlandse supermarkt, tussen de bananen vandaan”, zegt hij over een enorme spin op sterk water. „De derde al, dit jaar.”

Steeds meer exotische kruipers komen onze kant op. Sommige doordat hun leefgebied opschuift door klimaatverandering. Andere komen hier terecht door internationale handel, zoals tijgermuggen in bamboe, en spinnen in bananen. Mieren komen mee in de wortelkluiten van tuinplanten. Ze hebben maar één bevruchte koningin nodig om een hele kolonie te vormen.

De meeste mieren hebben bescheiden kolonies. In het nest van de wegmier, de bekende soort uit vrijwel elke tuin, woont één koningin. Na een tijd produceert ze een aantal nieuwe koninginnen en mannetjes, allemaal met vleugels. Die generatie vliegt uit, in zogeheten bruidsvluchten. De bevruchte jonge koninginnen beginnen elders een eigen kolonie. Een koningin leeft tien tot vijftien jaar en gaat dan dood, waarna haar kolonie uitsterft. „Maar deze soort doet het anders”, zegt Noordijk. „De nieuwe bevruchte koninginnen blijven in het ondergrondse nest. Ze schuiven hooguit een eindje op. En zo wordt de kolonie steeds groter.” Eén koningin, zo becijfert hij, produceert per jaar duizenden werksters en tientallen nieuwe koninginnen. Die elk op hun beurt… „Krankzinnig. Zo kan de kolonie uiteindelijk een hele woonwijk beslaan.” Die in Wageningen is nog bescheiden, wil hij maar zeggen.

Atlantische dwergschubmier

Het mediterraan draaigatje is niet de eerste exotische mierensoort in Nederland die superkolonies vormt. De Argentijnse mier ging hem voor (op één plek in Nederland), evenals de Atlantische dwergschubmier (drie plekken) en de plaagmier (negen plekken). Dat zijn allemaal subtropische soorten. Noordijk: „Ze zitten ook al in Engeland, Duitsland en België. Ze zijn bij ons invasief omdat hun eigen vijanden en ziekten hier niet voorkomen. Als het hier nog ietsje warmer wordt door klimaatopwarming, dan neemt het probleem alleen maar toe.”

Maar wat is dan het probleem? „In woonwijken geven ze veel overlast”, zegt Noordijk. „Mensen vinden het gewoon niet prettig, zoveel krioelende beestjes bij elkaar.” Ze gaan ook de huizen in. Ze zoeken de warmte op. Spouwmuren, cv-ketels. De Atlantische dwergschubmier gaat je voorraadkast in. Die weet zelfs koektrommels en koelkasten binnen te komen. En het draaigatje kan vervelend bijten. Buiten ondergraven ze letterlijk stoepen en tuinen. Tegels gaan verzakken, het zand geeft overlast. En de mieren zorgen voor een enorme toename in het aantal bladluizen. Mieren beschermen bladluizen tegen andere insecten, in ruil voor de zoete honingdauw die bladluizen uitscheiden. „Zo komen de tuinen van mensen letterlijk onder de bladluizen te zitten”, zegt Noordijk, „en onder de plakkerige honingdauw.”

Een gezin in deze Wageningse wijk heeft de hele tuin laten afgraven om van de mieren af te komen. „Maar daarmee maak je het probleem alleen maar groter”, zegt Noordijk. „Geen idee waar die grond en die plantenkluiten terechtkomen. Daar krijg je wellicht een nieuwe kolonie.” En als je een kolonie in het midden aanpakt, bijvoorbeeld met gif, dan trekken de mieren naar de flanken en breidt de kolonie zich alleen maar verder uit.

Stel dat de mieren dan in een natuurgebied terechtkomen, vervolgt Noordijk. Dan zijn de gevolgen niet te overzien. „De mieren vreten alles op wat ze tegenkomen”, zegt hij. „Ze zijn serieuze concurrenten én predatoren van inheemse insecten. En via de bladluizen hebben ze ook een groot effect op planten. Al met al kunnen ze rondom hun kolonie het hele voedselweb ontwrichten.”

De Argentijnse mier en de plaagmier doen dat al op diverse plekken in Zuid-Europa. Bij ons is er vooral risico voor heidegebieden, duinen en kalkgraslanden, relatief warme plekken. „Als we de kolonies laten doorsudderen in de stad, dan hebben de mieren alle gelegenheid om zich aan te passen aan ons klimaat en is de kans groot dat ze ooit in een natuurgebied terechtkomen”, zegt hij. „Nu lijkt het probleem nog beheersbaar, dus feitelijk moeten we nu beslissen of we gaan bestrijden of dat we kwetsbare natuurgebieden een serieus risico laten lopen.”

Haarden aanpakken en niet opgeven

Hoe kun je dan van de mieren afkomen? „Er bestaan bestrijdingsmiddelen die speciaal zijn ontwikkeld tegen mieren”, vertelt Mike Brooks van het Kennis- en Adviescentrum Dierplagen. „Korrels of gels die gif bevatten, maar ook stoffen die mieren lekker vinden. De werksters nemen het gif dan mee het nest in, naar de koningin.” Dat werkt over het algemeen goed bij mieren met één koningin. Bij meerdere koninginnen wordt het een grotere uitdaging. Helemaal wanneer de mieren ruim beschikking hebben over alternatief voedsel, zoals honingdauw, waar de ‘lekkere’ gifkorrels moeilijk mee kunnen concurreren. „Maar het kán wel”, stelt Brooks, „als je maar alle haarden aanpakt, zeker aan de randen van de kolonie, en niet opgeeft. En als je tegelijkertijd hun voedselalternatief wegneemt, bijvoorbeeld de bladluizen actief bestrijdt. Op sommige plekken in Nederland is dat al met succes gedaan.”

Bovenal, zo benadrukken Noordijk en Brooks, moet het probleem bij de bron worden aangepakt: de introductie van nieuwe kolonies in tuinplanten. Dat kan wellicht via de branche-organisatie van tuincentra. „Een gigantische operatie”, zegt Brooks. „Dat heeft de tijgermug al laten zien.”

„Maar niets doen is ook geen optie”, vindt Noordijk. In elk geval wil hij dat gemeenten zich ervan bewust zijn. Dat er richtlijnen komen voor bestrijding, zodat het probleem niet juist groter wordt. „Eigenlijk zou dit ook een landelijke aanpak vereisen, maar de overheid heeft er nog geen aandacht voor. Terwijl het echt niet een lokaal probleem is dat hooguit wat overlast veroorzaakt in woonwijken.”