Eindelijk is de leraar aan zet bij herziening van het schoolcurriculum

Eindelijk kan de vernieuwing van het curriculum van basisschool en voortgezet onderwijs doorgaan. De leraar gaat het dragen maar moet er wel tijd voor kunnen krijgen, schrijft Jasper Rijpma.

Anp, xtra Koen Suyk

Afgelopen donderdag publiceerde de Onderwijscoöperatie, een verzameling lerarenorganisaties, het langverwachte eindrapport van de ‘verdiepingsfase 2032’. Hiermee is de laatste episode in de soap rond onderwijs2032, de beoogde ‘herijking’ van het curriculum, tot een einde gekomen. In vorige afleveringen hebben we onder meer kunnen zien hoe lerarenorganisatie Beter Onderwijs Nederland (“BON”), partner van de onderwijscoöperatie, zich met een inktzwarte campagne verzette tegen de plannen van staatssecretaris Sander Dekker (OCW, VVD). Met succes, want ’2032’ kwam piepend en krakend tot stilstand. Inmiddels is BON stampvoetend uit de onderwijscoöperatie gestapt. Dat is voor 2032 goed nieuws, want het eindrapport is zonder de deelname van obstructiemacht BON constructief en hoopgevend geworden. Een verademing na maanden van sabotage en terreur.

1. Zorg voor een continue dialoog onder leraren
Ik heb 2032 altijd verdedigd als een prachtige kans voor leraren om verantwoordelijkheid te nemen over ons vak. Die optimistische insteek komt uit mijn eigen onderwijspraktijk. Op mijn school, het Hyperion Lyceum in Amsterdam, werd mij de kans geboden om samen met collega’s een nieuw vak te ontwerpen: Grote Denkers. Dit forceerde mij om opnieuw te kijken naar de manier waarop ik mijn onderwijs inricht. Naar mijn didactiek en naar de manier waarop ik met mijn collega’s samenwerk. Samen ontwerpen, kennis delen, bij elkaar in de les kijken, evalueren. Het eindrapport stelt terecht dat het aanjagen van een dergelijke dialoog op schoolniveau een absolute voorwaarde is om het beoogde proces van curriculumherijking te kunnen doen slagen.
2. Verbind de dialoog op scholen met de ontwikkeling van landelijke doelen
Wat begon als een herijking van de eindtermen en kerndoelen, bleek al snel belangrijke implicaties te hebben voor het ‘waartoe’, maar vooral ook voor het ‘hoe’ van ons onderwijs. In ons manifest ‘Leraar2032’ hebben we daarom gepleit voor een dynamisch curriculummodel, met een belangrijke rol voor de leraar als drager van het proces van curriculumontwikkeling. De leraar vormt een cruciale schakel tussen het geplande curriculum en het gerealiseerde curriculum. Wij stelden om deze reden een ‘lerarenraad’ voor, een adviserend orgaan tussen school, samenleving en overheid. Ook het eindrapport van de onderwijscoöperatie voorziet in een permanent orgaan, die de schakelrol zou moeten vervullen. Dit idee verdient het om verder verkend te worden.
3. Laat de overheid de dialoog faciliteren
Uit het rapport blijkt verder dat leraren wel curriculum willen ontwerpen, maar dat het hen simpelweg ontbreekt aan tijd. Dat klopt als een deur. In het basisonderwijs worden leerkrachten geacht om alles voor te bereiden en te verwerken in amper één uur voor en één uur na schooltijd. In het voortgezet onderwijs krijgen we per les van 50 minuten ongeveer 15 minuten voorbereidingstijd en 15 minuten om op te sparen voor nakijktijd. In Nederland geven we per voltijdsbaan simpelweg 20% meer les dan het Europees gemiddelde. Het is simpel: als leraren de rol van curriculumontwikkelaar op gaan pakken, dan hebben we daar ontwikkeltijd voor nodig.
4. Neem de tijd voor curriculumontwikkeling
Een constructief kritisch rapport dus, dat de verantwoordelijkheid over curriculumvernieuwing volledig bij de leraar legt, die daartoe gefaciliteerd dient te worden. Hoe nu verder? De onderwijscoöperatie eindigt met een cliffhanger: ‘als de dialoog in scholen eenmaal is gestart en de infrastructuur functioneert, dan is curriculumvernieuwing een continu proces’. Ik kijk uit naar de volgende episode van deze soap.

Jasper Rijpma is leraar geschiedenis en Grote Denkers aan het Hyperionlyceum in Amsterdam en Leraar van het Jaar 2014.