‘Dit wordt een wereldzaak’

Sam van den Bergh

Sam van den Bergh werd met zijn Brabantse boterhandel een van de grondleggers van ‘wereldzaak’ Unilever. Deze week verscheen zijn biografie.

Sam van den Bergh (1864-1941) behoorde niet tot de voorhoede van moderne werkgevers. Uit zijn woensdag verschenen biografie blijkt dat de grondlegger van voedingsmiddelenconcern Unilever lang niet zo vooruitstrevend was als zijn tijdgenoten Jacques van Marken van de Delftse gist- en spiritusfabrieken, of de gebroeders Stork van de gelijknamige machinefabriek in Hengelo. Die spraken al ruim vóór de eeuwwisseling over een oudedagsvoorziening voor hun arbeiders, liepen voorop bij het gunnen van inspraak en bouwden, naar Engels voorbeeld, mooie, nog altijd bestaande tuindorpen bij hun fabrieken.

Van den Bergh behoorde geenszins tot de uitbuiters uit die tijd, maar in 1906 ontzegde hij nog een aantal arbeiders loonsverhoging omdat ze lid waren van de vakbond. Het kantoorpersoneel van zijn bedrijf kreeg pas in 1921 een pensioenregeling, de fabrieksarbeiders nog eens acht jaar later. Medezeggenschap was mooi, maar moest vooral beperkt blijven.

Desondanks werd ‘Steeds voor alle arbeiders aanspreekbaar’ de titel van de biografie. In het boek wordt die uitspraak genuanceerd door biograaf Pim Reinders, auteur van een aantal bedrijfshistorische publicaties over voedingsmiddelen en reclame. Hij noemt Van den Bergh „een patriarchaal werkgever. ‘Steeds voor alle arbeiders aanspreekbaar’, maar s.v.p. niet te veel tegenspraak.”

Sam van den Bergh was de jongste van zeven zonen van Simon van den Bergh, een joodse boterhandelaar uit het Brabantse Oss. Boter, aanvankelijk een ruilmiddel, werd midden negentiende eeuw vooral verscheept naar het snel industrialiserende Engeland, als voedingsmiddel voor het groeiende leger fabrieksarbeiders. Rond 1870 kreeg boter concurrentie van margarine, oorspronkelijk gemaakt van gesmolten rundervet, later van plantaardige olie. Kunst- of ‘armeluis’-boter was een Franse vinding. Napoleon III zocht een goedkoper voedingsmiddel voor zijn soldaten.

Een modelfabriek

Technische ontwikkelingen in de tweede helft van de negentiende eeuw zorgden voor nog veel meer verandering in het leven van de familie Van den Bergh. Waar Sams vader door de vele onverharde wegen nog om twee uur ’s nachts te paard naar Eindhoven moest vertrekken om er ’s ochtends op tijd te zijn, was Oss rond 1880 al per stoomtrein bereikbaar. Het stadje had toen ook al een telegraafkantoor. De boterhandelaren hadden daar in 1862 om moeten smeken bij de gemeenteraad. Het telegraafkantoor van Oss, een van de belangrijkste botermarkten in West-Europa, stond twintig jaar later nummer vier op de lijst van kantoren waar de meeste buitenlandse berichten werden afgehandeld.

1911ZATunilever2

Eind negentiende eeuw had Oss maar liefst vier margarinefabrieken. De familie Van den Bergh bezat toen ook al een groot bedrijf in Kleeff, net over de grens, om geen last te hebben van hoge Duitse invoerrechten. Vijf zoons van Simon stapten in de familieonderneming. Van hen bleek Sam, hoewel de jongste, geboren om de onderneming te leiden. Twee andere broers vestigden zich permanent voor de onderneming in Engeland, dat samen met Duitsland de belangrijkste markt was.

Hoewel de Van den Berghs een grote werkgever waren in Oss, was hun invloed beperkt. Toen zij bij de gemeenteraad van Oss de aanleg van een kanaal bepleitten om hun fabriek beter bereikbaar te maken, legden ze het af tegen de katholieke meerderheid in stad. Concurrerend margarinefabrikant Anton Jurgens, ook gevestigd in Oss, was met drie familieleden in de raad vertegenwoordigd en stemde tegen.

De familie Van den Bergh beantwoordde deze nederlaag door haar fabriek in Oss abrupt te sluiten en te verhuizen naar Rotterdam, dat zich juist in die tijd ontpopte als een van de belangrijkste doorvoerhavens van West-Europa. In het nieuwe haven- en industriegebied op Zuid zetten de Van den Berghs een gloednieuwe fabriek neer, naar de laatste technische inzichten. „Een modelinrichting voor de gehele nijverheid”, aldus Sam van den Bergh. Op deze plek, waar nog altijd het kantoor van Unilever Benelux is gevestigd – het hoofdkantoor zit aan het Weena – werd afgelopen woensdag, precies 125 jaar later, zijn biografie ten doop gehouden. Jean-Marc van Huët, tot voor kort financiële topman van Unilever en achterkleinzoon van Sam, bood het eerste exemplaar aan aan burgemeester Aboutaleb van Rotterdam.

Geheime kartelafspraken

Anton Jurgens was van meet af aan de aartsvijand van de Van den Berghs. Nieuwe fenomenen als merken en reclame deden dienst als wapens in de strijd. Zeeuws Meisje en Blue Band werden in die tijd geboren. Externe marketinggoeroes – ze bestonden toen ook al – zetten campagnes voor het bedrijf op touw, in de vorm van advertenties, muurschilderingen en de voor die tijd zo karakteristieke geëmailleerde, metalen reclameborden. Een beursgang in Londen was nodig om de grote reclamebudgetten te bekostigen.

1911ZATunilever1

Van den Bergh en Jurgens bestreden elkaar op leven en dood. Althans, voor de buitenwereld. De strijd bleek alleen om marktaandeel te gaan, achter de schermen maakten de twee margarinegiganten al snel geheime afspraken over lonen, prijzen, gezamenlijke inkoop en investeringen. Het is vandaag de dag moeilijk voor te stellen, maar anders dan in Amerika werden kartels in die dagen in Europa nog niet bestreden. Dat duurde tot ver na de Tweede Wereldoorlog en in Nederland zelfs tot de jaren negentig van de twintigste eeuw.

Vanaf 1907 hadden Van den Bergh en Jurgens een zogeheten ‘poolovereenkomst’ waarbinnen de winsten stiekem onderling verdeeld werden. Ook kon het gebeuren dat Sam van den Bergh in dezelfde trein als Anton Jurgens naar Bremen reisde voor onderhandelingen met Duitse leveranciers van geharde oliën en vetten. Ieder voerde onafhankelijk van elkaar gesprekken met zijn wederpartij, maar ’s avonds wisselden de twee, die in hetzelfde hotel overnachtten, informatie met elkaar uit. „Wij overlegden dat ik de onderhandelingen alleen zou voeren”, schreef Sam van den Bergh aan het thuisfront, „om niets officieel van de combinatie toe te geven, doch heb ik tijdens den loop van de onderhandelingen telkens met Anton voeling gehouden.”

De kartelafspraken betekenden overigens niet dat Sam van den Bergh en Anton Jurgens persoonlijk de beste vrienden waren. Van den Bergh, zelf een uiterst gedreven, soms dwingende en opvliegende ondernemer, bestempelde zijn tegenstrever geregeld als ‘onbetrouwbaar’ en betichtte Jurgens zelfs van ‘schurkenstreken’. Toen het in 1928 eindelijk tot besprekingen over verdergaande samenwerking kwam, was Van den Berghs persoonlijke weerzin tegen Jurgens nog altijd zo groot dat hij de onderhandelingen overliet aan zijn rechterhand Paul Rijkens, zoon van een door hem overgenomen kleine concurrent. Maar toen de Margarine-Unie, zoals de samengevoegde bedrijven heetten, eenmaal een feit was, riep Van den Bergh uit: „Dit wordt een wereldzaak.”

Sam van den Bergh trok zich na de fusie definitief terug uit het bedrijf, zijn jongste zoon Sidney nam zijn plaats in. Het jaar erop fuseerde de Margarine-Unie met de Britse zeepfabrikant Lever Brothers – bekend van Sunlight – tot Unilever. Sam van den Bergh kreeg gelijk. Unilever werd een wereldconcern. Net als Philips, Koninklijke Olie/Shell en Akzo, de andere drie Nederlandse paradepaardjes met een oorspong in de ‘ijzeren eeuw’.

Joodse Nederlander

De margarinefabriek had de familie Van den Bergh grote rijkdom gebracht. Sam, die thuis een energieke, humoristische pater familias was, ontving graag familie en vrienden in zijn villa in Wassenaar en in zijn buitenhuis in Nice. De familie ging al in de jaren twintig met de hele familie skiën in Sankt Moritz. In het liberale gezin Van den Bergh was daarnaast ook altijd veel ruimte geweest voor afwijkende politieke ideeën.

Sam, zelf Eerste Kamerlid voor de Liberale Unie, steunde zijn vrouw Betsy, aanhanger van de links-liberale Vrijzinnig Democratische Bond, bij haar activiteiten en belangstelling voor de vrouwenbeweging. Betsy was goed bevriend met Aletta Jacobs. Sams oudste zoon George, niet werkzaam in het bedrijf, zat voor de SDAP in de Tweede Kamer.

1911ZATECOaffiche1

Hoewel de biografie van Sam van den Bergh op het eerste gezicht vooral een interessante economische geschiedenis en een aardige familiekroniek lijkt te omvatten, speelt ook de joodse geschiedenis een belangrijke rol. Het levensverhaal van de familie behelst het tragische relaas van de joden in West-Europa, van emancipatie tot vernietiging.

Sams grootvader Zadok, eveneens boterhandelaar in Brabant, behoorde nog tot de generatie joden – destijds naar hun religieuze overtuiging vaak aangeduid als ‘Israëlieten’ – die burgerrechten kreeg tijdens de Franse overheersing. Ook vader Simon was een vrome jood die halverwege de negentiende eeuw op zakenreizen uitsluitend bij geloofsgenoten verbleef, zodat hij verzekerd was van een koosjere maaltijd.

De verhuizing naar Rotterdam werd door de nieuwe, veel vrijzinniger generatie als een verademing ervaren. „Hier heerschte een groote, ruime opvatting van zaken, in tegenstelling met de bekrompenheid en kleinzieligheid van Brabant”, schreef Sam. „Hier konden wij onzen kinderen een goede opvoeding geven en zelf deelnemen aan het publieke leven, waarvan wij in Brabant ten eenenmale uitgesloten waren gebleven.”

De gebroeders Van den Bergh assimileerden. Bij Sam van den Bergh thuis werd Kerst gevierd en het geloof speelde geen belangrijke rol meer in zijn leven. Biograaf Reinders: „Sam was een joodse Nederlander, geen Nederlandse Jood.” Dat laatste nam niet weg dat de familie Van den Bergh zich altijd sterk bleef inspannen voor de joodse zaak.

Vader Simon was voorzitter van Montefiore, een Rotterdams doorgangshuis voor met name Russische joden die opgejaagd werden door het schrikbewind van de tsaar en de pogroms. Sam was na de Eerste Wereldoorlog nauw betrokken bij de stichting van een joods thuisland in Palestina. Hij zamelde op grote schaal geld in voor de kolonisatie en zat samen met onder anderen Albert Einstein, Sigmund Freud en Chaim Weizmann, de latere president van Israël, in het curatorium van de nieuwe Hebreeuwse universiteit van Jeruzalem.

In een exclusieve joodse staat geloofde Van den Bergh overigens minder. „Eerlijk gezegd ben ik een te goed Nederlander om een goed zionist te kunnen zijn”, zei hij midden jaren twintig.

Onderhandelen met de nazi’s

Toen in Duitsland de nazi’s aan het bewind kwamen en ook in Nederland nationalisme en racisme toenamen, kreeg de familie Van den Bergh het zwaar te verduren. Een vijfdaags tuinfeest dat Sam bij zijn villa in Wassenaar organiseerde om fondsen in te zamelen voor een landbouwkolonie in de zojuist drooggelegde Wieringermeerpolder, kwam hem op een felle aanval van de NSB te staan. In de kop van Noord-Holland werden joodse vluchtelingen omgeschoold tot landarbeiders met als uiteindelijk doel emigratie naar Palestina.

1911ZATunileversam

„Een Tuinfeest wordt in elkaar gezet dat niet ten goede komt aan eigen menschen”, schreef de NSB, „maar aan Duitse jongens en meisjes. Nu zou men zeggen: laten dit de menschen van eigen ras uit Duitschland doen, die op een schoen en een slof de grens zijn overgekomen en nu financieel overwicht in onze handelslichamen en banken uitoefenen”.

De pijnlijke ironie was dat op hetzelfde moment niet-joodse directieleden van Unilever, dat nog altijd grote belangen in Duitsland had, onderhandelden met de nazi’s – inclusief een bezoek aan een toespraak van de ‘Führer’ en het brengen van de Hitlergroet – over het al dan niet aanblijven van de joodse bestuurders binnen het concern.

Haar rijkdom stelde een deel van de familie Van den Bergh in staat tijdig Europa te ontvluchten. Sam, inmiddels ruim 75 jaar oud, besloot niet mee te gaan. Zijn oudste zoon George, inmiddels hoogleraar staatsrecht in Amsterdam, zat korte tijd gevangen in Buchenwald. Een aantal kinderen van Sams broers werd echter in concentratiekampen vermoord. Sam van den Bergh overleed in 1941 in zijn villa Arcadia in Nice.