Dit verlies begrijpen kan bijna niet

Verkeersdoden

Deze zondag vindt de jaarlijkse herdenking van verkeersslachtoffers plaats. Weinigen die dat weten, terwijl er elk jaar duizenden nieuwe mensen rouwen. Twee nabestaanden vertellen.

Jos Frencken op de plek op de A2 bij Meerssen waar zijn dochter anderhalf jaar geleden verongelukte door een botsing met een spookrijder. Foto Merlijn Doomernik

Zaterdag, 18 april 2015, half drie ’s nachts.
Een vrouw van 51 klapt met haar Volkswagen Polo tegen de vangrail van de A2 ter hoogte van vliegveld Maastricht-Aachen. Door de botsing begint de auto te tollen. Als de Polo tot stilstand komt, staat de neus in de verkeerde rijrichting. Eén koplamp is gesneuveld.

De vrouw, mogelijk verward, drukt het gaspedaal in en vervolgt haar reis over de A2. Niet langer als veilige weggebruiker richting Maastricht, maar als slecht zichtbare spookrijder richting Eindhoven.

Kiki Frencken (25), dermatoloog-in-opleiding, komt net uit die richting gereden. Met haar vriend (26), promovendus in de werktuigbouwkunde, is ze in Noord-Brabant naar een bruiloft van een bevriend stel geweest. Nu rijden ze terug naar hun woonplaats Maastricht, over de A2 en in hun groene Opel Agila.

De Polo zien ze niet van verre komen, misschien omdat de snelweg net een flauwe bocht maakt. Als die ene koplamp in hun blikveld verschijnt, is er zelfs voor remmen geen tijd. De auto’s botsen frontaal. De Opel Agila vliegt over de kop en vat vlam. Kiki Frencken, haar vriend en de spookrijder sterven ter plekke.

Ook nu is het leed van het wegverkeer onderbelicht.

De drie mensen behoren tot de 621 die vorig jaar hun leven verloren in het Nederlandse wegverkeer. Dat zijn 51 doden meer dan in 2014, een stijging die in jaren niet is vertoond. Verkeersonderzoekers bestuderen de oorzaken nog. Bellen of pielen met mobieltjes kan een rol spelen, zegt Veilig Verkeer Nederland. De vergrijzing waarschijnlijk ook: het aantal oudere verkeersslachtoffers stijgt al langer.

Media-aandacht

En het ging juist de goede kant op. Het aantal verkeersdoden nam in de afgelopen decennia sterk af, onder meer door veiliger auto’s. In 1970 vielen er nog 3.372 doden, bijna vijfenhalf keer zoveel als vorig jaar.

De afzonderlijke ongelukken kregen in die tijd – net als nu – slechts beperkte aandacht in media en maatschappij. Wegdoden zijn weinig mediageniek: ze vallen in kleine aantallen, verspreid over de tijd en over tal van wegen. Het thema verkeersveiligheid voelt daardoor niet urgent. Voor grote aandacht in media en samenleving is samengebald sterven – op één moment en in één bus, trein of vliegtuig – the way to go.

Reden voor de befaamde journalist Gerard van Westerloo (1943-2012) om tegen de gewoonte in begin jaren zeventig uitgebreid in te zoomen op het leed veroorzaakt door wegverkeer. Hij pakte één novemberdag in 1970, waarop dertien doden vielen. Hij zocht hun nabestaanden op, en beschreef in Vrij Nederland hun worsteling het leven na het verlies vorm te geven. Titel: Een doodgewone dag verkeer (1971).

Ook nu is het leed van het wegverkeer onderbelicht. Deze zondag vindt in Elspeet de jaarlijkse herdenking van verkeersslachtoffers plaats, de namen van de doden zullen worden voorgelezen – en bijna niemand die het weet.

Dus om Van Westerloo’s vraag te herhalen: hoe leven nabestaanden verder?

Jos Frencken doet de deur open voor twee agenten. Het is half vier ’s nachts. Er is een verkeersongeluk gebeurd, hoort hij hen zeggen, en er zijn mensen overleden. Hij hoort de agenten zeggen op wiens naam de auto staat. Die van de vriend van zijn dochter. Er zat nog iemand in de auto, zeggen de agenten.

De vrouw van Jos Frencken is in ochtendjas naast hem komen staan. Ze proberen hun dochter te bellen. Kiki’s telefoon geeft geen gehoor.

De laatste rest hoop vagen twee familie-rechercheurs later die ochtend weg. Ze hebben spullen van de slachtoffers meegebracht. De oorbellen en de ring zijn van Kiki, het horloge is van haar vriend.

De rechercheurs hebben ook iets te zeggen: er is een brief aangetroffen bij de spookrijder thuis, waarin ze schrijft over persoonlijke problemen.

Het hoofd van Jos Frencken slaat op hol. Een brief? De politie meldt ons dat vast met een reden? Betekent dat dat ze dood wilde? Is de vrouw met opzet gaan spookrijden?

Een dag later zeggen de rechercheurs dat de brief los staat van het ongeluk. Maar de twijfel bij Frencken is dan al gezaaid. Die onzekerheid gaat niet weg: de spookrijder is dood, vervolging blijft dus uit, en daarmee ook een onderzoek naar de precieze toedracht van het ongeluk. Het blijft ook onduidelijk of de spookrijder gedronken heeft, of medicijnen heeft geslikt. Voor bloedonderzoek is de toestemming van de verdachte nodig.

Jos Frencken neemt het de familierechercheurs kwalijk dat ze over die brief zijn begonnen. „Ze hadden beter niets kunnen zeggen.”

De uitvaart van Kiki en haar vriend volgt op de vrijdag na de fatale zaterdagochtend, in de Sint-Petrus en Pauluskerk in Schaesberg. De kerk is te krap voor de bijna duizend rouwenden. De kisten zijn die dag al dicht: de lichamen zijn te ernstig verbrand.

Jos Frencken neemt na het ongeluk een pauze van zijn baan – hij begeleidt verstandelijk gehandicapten op weg naar betaald werk. Maar het thuiszitten bevalt slecht. Het verdriet wordt hem zonder afleiding te machtig. Heel soms denkt hij: ik rijd mezelf ergens tegenaan. Wat moet ik nog met dit leven. Maar hij leeft door, en velen helpen hem en zijn gezin – zijn vrouw en zijn uitwonende zoon. Zoals de achterburen, die zijn vrouw en hem op sleeptouw nemen. Kort na het ongeluk trekken ze er met z’n vieren een paar dagen op uit, in een camper.

Verjaardagsfeestjes

Twee maanden na de dood van zijn dochter begint hij weer met werken, en na vier, vijf maanden werkt hij weer fulltime. Collega’s spreken hem aan. Jos, hoe is het nu met jou? Zo’n vraag doet hem goed. Andere collega’s durven er niet goed over te praten. Die sturen hem een e-mail. Jos, ik wil een keer een gesprek met je hebben als je tijd hebt. Dat gesprek komt er vervolgens niet.

Hij heeft er begrip voor dat mensen moeite hebben om contact te maken. Buitenstaanders, zegt hij, kunnen niet begrijpen wat je doormaakt. Ze proberen zich in te leven, maar het doorvoelen van het verlies van andermans kind is onmogelijk.

Er zijn mensen die over hun eigen leed gaan praten. Dat er bij hen ook iemand is doodgegaan, en hoe dat voelde. Het gaat nu eventjes niet over jou, denkt Jos Frencken dan.

Verjaardagsfeestjes mijden hij en zijn vrouw na het ongeluk zeker een jaar lang. Ze willen niet voortdurend hoeven horen ‘goh, wat is het erg voor jullie’. Ze willen dat de aandacht naar de jarige gaat.

Frenckens eigen zestigste verjaardag nadert. Maar hij zal het niet uitbundig vieren, zoals hij bij zijn veertigste en vijftigste deed. Hij huurde dan een café of zaaltje af met een bevriende leeftijdgenoot. Live band, heel veel gasten, heel veel lol. Dit keer blijft de lol uit. Zijn zestigste komt te vroeg. Hij wíl het gewoon niet.

Als je hem nu vraagt hoe het gaat zegt Jos Frencken ‘goed’. Werk geeft zijn leven ritme, en een nieuw tijdverdrijf vult zijn avonden en weekends. Lampen maken. Grote, vindingrijke bouwsels zijn het: stofzuiger-onderdelen verbonden met het kijkglas van een bierbrouwerij. Hij heeft er twintig gemaakt. Je moet wat, zegt hij. Stilzitten gaat niet meer.

Het verdriet overvalt hem geregeld. Hard huilen, tranen in de keel. Dat kan knap vervelend zijn. Iemand vraagt hoe het gaat, hij begint te vertellen, en daar komt het verdriet de boel alweer overnemen.

Huilen mag, vertelt hij zichzelf. Maar van de boosheid – op de spookrijder, op het gebrek aan antwoord op zijn vragen – wil hij af. Hij wil strijden voor een wetswijziging, zodat er voortaan standaard een onderzoek komt naar de toedracht van een ongeluk – of de veroorzaker nu leeft of is gestorven. Want een ouder mag op zijn minst weten welke feiten tot de dood van zijn kind hebben geleid.

Foto Merlijn Doomernik

Thea Buis op het kruispunt in Eemnes waar haar vader vorig jaar na een aanrijding stierf. Foto Merlijn Doomernik

Zondagmorgen, 2 augustus 2015.
Thea Buis (55) neemt de telefoon op. Het is haar vader van 83. Hotze Buis. Hij kan eindelijk zijn been weer over de bagagedrager zwaaien, zegt hij. „Vandaag ga ik weer fietsen, ik ga de polder in.”

Weken heeft haar vader geoefend in zijn schuurtje in Huizen. Net zolang tot dat almaar strammere been weer doet wat hij wil. Eemland lonkt: het broedgebied voor weidevogels tussen Eemnes en Amersfoort. Haar vader, vogelaar en natuurliefhebber, telt er de vogels, steekt stokken in de weidegrond als waarschuwing voor maaiende boeren. „Veel plezier, pap”, zegt Thea Buis door de telefoon. „Dan hoor ik het later wel weer.”

Autorijden door vlak weideland kan verraderlijk zijn. Externe prikkels ontbreken, het rijden lijkt vanzelf te gaan. De aandacht kan verslappen. Polderblindheid heet dit. Eemland is bij uitstek zo’n verblindende polder. Plat, weids en stil. Gras tot aan de horizon en de hemel erboven – meer is er niet.

Een man rijdt die zondagmiddag door het weidegebied terug naar huis. Hij is moe na een dag klussen aan zijn boot. Hij rijdt zestig, het maximum op deze weg. Een kruispunt nadert, en van rechts komt een fietser. Maar de automobilist ziet hem niet en mindert dus geen vaart.

Als hij de fietser waarneemt – een oude man, zo te zien – zijn er nauwelijks nog meters over. De klap lanceert de oude man. Zijn fiets vliegt een sloot in, de oude man landt hard op het asfalt. De automobilist overleeft het ongeval zonder kleerscheuren.

Thea Buis heeft veel gezien, als intensive care-verpleegkundige neonatalogie. Maar als ze op het ziekenhuisbed afloopt, schrikt ze van wat ze aantreft. Haar vaders nek is gebroken, zijn voorste schedeldeel is naar binnengedrukt, zijn oogkassen zijn gebroken. Bloed zit overal. Het druipt letterlijk van het bed af. Ze pakt zijn hand vast en zoent zijn gezicht.

Als haar broer, haar schoonzus en zijzelf de scan van zijn hoofd te zien krijgen, weten ze het meteen. Nee. Dit is niet meer met het leven verenigbaar.

Ze had het haar vader moeten beloven: als hem wat ergs gebeurt, als een leven als kasplant het hoogst haalbare is, dan moet zij op zijn slangetje staan. Dus dat is wat ze nu doet. Het mag van het medisch personeel: ze zet zelf de beademing stop. Ik doe wat ik je beloofd heb pap, zegt ze. Ik ga niet op je slangetje staan, ik ga op je slangetje stampen.

Haar vader hield op zondagmiddagen graag open huis. Vrienden over de vloer, wijn, Franse kazen. De dag voor de uitvaart organiseren Thea Buis en haar broer precies zo’n middag. Een tuinfeest voor veertig man. Ze weet zeker: had haar vader in een hoekje van de tuin gezeten, dan had hij genoten.

De uitvaartdienst een dag later begint met het geluid van een weidevogel. Een roepende grutto.

Boosheid

De automobilist, zo wijst onderzoek uit, had geen alcohol in zijn bloed toen het ongeluk gebeurde. Hij was ook niet aan het bellen. Hoogstens was hij moe. De rechter veroordeelt hem voor het niet tijdig stilzetten van een voertuig. Hij krijgt een voorwaardelijke rij-ontzegging van een half jaar en een boete van zeshonderd euro.

Dat bedrag kwetst Thea Buis. Als ze het hoort komt de gedachte vanzelf bij haar op: het leven van mijn vader is dus zeshonderd euro waard. Dat is minder dan een koe, zegt ze.

En de zinsnede ‘niet tijdig stilzetten van een voertuig’ schreeuwt volgens haar om de toevoeging ‘met de dood tot gevolg’. De rechter zegt het niet. Ze zit met haar broer op de trappen van het gerechtsgebouw, ziet de letters op de gevel staan en denkt: nee, dit is geen gerechtsbouw. Dit is het onrechtsgebouw.

Van die boosheid heeft ze sinds het ongeluk last. Ze is boos op het strafsysteem en vindt dat de wet moet worden aangescherpt.

Thea Buis gaat in het jaar dat volgt een aantal keer naar de plek van het ongeluk. De eerste keer, nog voor de crematie, zit er nog een grote bloedvlek op het wegdek. Een andere keer, maanden later, plaatsten zij en haar broer bij het kruispunt een verkeersbord. Het mag van de gemeente. Een waarschuwingsdriehoek is het, vlak voor de plek waar de auto haar vader schepte.

Ze mist haar vader, al vloert het verdriet haar niet. Ze noemt zichzelf nuchter. Maar als in de zomer de moeder van haar vriend overlijdt, begint ze ineens over haar vader te praten. Wat heb je het ineens veel over hem, zegt haar vriend.

Op Vlieland, waar haar vriend woont, plaatsen ze in de zomer een herdenkingsbankje. Als ze er op een zomerdag heengaan, klapt ze ineens dubbel van pijn en verdriet. Haar vriend schrikt ervan. Zijzelf ook.