De vrije cartoonist heeft het lastig in ideologische tijden

Ombudsman

ombudsman0

Valt er in revolutionaire tijden nog een grap te maken in de krant? Of is het lachen ons inmiddels wel vergaan?

Verschillende lezers maakten de afgelopen week bezwaar tegen humoristisch of satirisch bedoeld beeld in de krant: een nepbeeld van Poetin en Trump samen te paard, en een Trump-cartoon die varieerde op de terreuraanslagen van 11 september.

Ik zal ze langslopen, maar eerst een algemene opmerking. Op cartoons in de krant is altijd al kritiek gekomen („smakeloos”), maar de maatschappelijke context is wel drastisch veranderd. Allereerst lijkt de gevoeligheid voor krenkingen en ‘aanstootgevend’ beeld toegenomen. Dat is de tol van een competitieve beeldcultuur, waarin mensen als nooit tevoren gespitst zijn op hoe zij of anderen worden afgebeeld.

Nog belangrijker: satirische cartoons werken het beste als spelbrekers in een geordende wereld, als wanklanken in een plechtige concertzaal. Dat is ook altijd hoe ze bij NRC worden verdedigd: cartoonisten mogen grenzen over, ze geven een ‘knipoog’ naar het nieuws. Lezers weten hoe ze dat moeten opvatten: ze lachen erom, of juist niet.

Maar het wordt anders in perioden van cultuurstrijd zoals de huidige, waarin satire een retorisch wapen wordt van ideologische partijen of propagandisten. Het maatschappelijk ‘debat’ is óók een strijd om symboolmacht, om woorden (‘wit’, ‘blank’, ‘islamofoob’) en beelden (Zwarte Piet, jihad-video’s).

In dat strijdperk kan de ongebonden satiricus in het gedrang komen. Aan welke kant staat hij? Wat bedoelt hij ‘eigenlijk’? Zie de exegese – ook nu nog – van de Charlie Hebdo-cartoons.

De krant moet niet zelf satire na gaan bouwen

Neem de humor van Kamagurka, beroemd om zijn Vlaamse absurdisme en al jarenlang op de voorpagina. Lang niet alle lezers houden ervan, anderen zijn er gek op. Maar je kunt je afvragen of absurdisme nog wel bevrijdend werkt bij nieuws dat zelf al vaak absurd wreed of schokkend is. Dan moet de grap wel héél goed zijn. Zouteloos wordt al snel versleten voor gewetenloos.

Dan te paard. Een lezer uit Rotterdam stoorde zich aan de „gefabriceerde foto” van Poetin en Trump met ontblote bovenlijven te paard, die vorige week op de opiniepagina stond. Want: „Met dit soort botte lol verlaagt de NRC haar niveau tot waar men juist afstand van wil nemen.” Hij vermoedt dat „dit prentje zoveel joligheid in het redactielokaal teweeg bracht dat de opmaak van het artikel erdoor in de war raakte”.

1111OPITrumpoet

Zo ging het niet helemaal. Het getructe beeld circuleerde op internet, en de redactie dacht er een goeie illustratie in te zien van een artikel over Rusland en de VS in het Midden-Oosten.

Maar ja, auteursrecht op het nepbeeld had men niet, dus werd besloten de illustratie dan maar na te bouwen. Een fotoredacteur kocht het ruiterbeeld van Poetin, haalde een foto van Trump, en knutselde het plaatje waarheidsgetrouw – nou ja, onwaarheidsgetrouw dus – in elkaar. Nep in het kwadraat.

Wat een moeite! Ik zou zeggen: maak gewoon een collage, als citaat, van die grappen op sociale media, als je die zo graag wilt laten zien. Maar ga niet zelf sleutelen en manipuleren met satirische foto’s. Dat past bij media die agitprop bedrijven, maar als gevestigd medium, zeg maar als zichzelf respecterende Titanic, wil je daar bij wegblijven.

Het onderschrift vermeldde uiteraard wel dat het beeld nep was, maar was toch verwarrend („Een gefabriceerd beeld circuleerde gisteren op sociale media. Dit beeld is gemaakt door NRC”). Want welk beeld was nu precies door NRC „gemaakt”? Trouwens, gisteren? Het paardrijdende stel ging al maanden geleden online in galop.

Ook aanstootgevend vonden sommige lezers (en enkele redacteuren) een cartoon van Ruben L. Oppenheimer waarin een passagierstoestel met het hoofd van Trump zich in twee torens boorde. Die diende als illustratie bij een artikel van politiek columnist Tom-Jan Meeus, waarin hij de impact van de zege van Trump kwalificeerde als, zoals de kop ook luidde, „het 11 september van de Haagse beroepspolitiek”.

Ruben L. Oppenheimer

Ruben L. Oppenheimer

Smakeloos? Nou ja, als dat zo is, dan de tekst toch ook – de tekening was een letterlijke verbeelding van het stuk.

Zelf vond ik die cartoon (of tekst) helemaal niet zo cru, zeker niet vergeleken bij talloze andere op de opiniepagina, de afgelopen jaren. De context maakte voldoende duidelijk dat hier niet de spot werd gedreven met 11 september of van de winnaar Trump een terrorist werd gemaakt: de impact van beide gebeurtenissen was de overeenkomst.

Het geeft wel weer aan hoe snel hard beeld kwetsend wordt gevonden.

Moeten cartoonisten en de krant zich daar iets van aantrekken?

Tekenaar Willem Holtrop, onder meer verbonden aan Charlie Hebdo, zei er donderdag dit over, in het Cultureel Supplement: „Het is grafisch leuker om harde dingen te tekenen.” Cruciaal: hij begon in de jaren zeventig, en dat waren volgens hem „overzichtelijke tijden” – bijna iedereen was toen links.

Zo „overzichtelijk” zijn de tijden natuurlijk al lang niet meer.

Toch moet de krant zich daar niet door laten afschrikken: sterke cartoons en satire zijn goud waard. Maar stel er dan wel dezelfde hoge eisen aan als aan tekst. Ook humor kan de plank misslaan, of op den duur zouteloos worden.

Of, radicaal alternatief: plaats geen spotprenten meer van mensen, alleen nog maar van dieren. Fokke & Sukke staan al met vier pootjes in het dierenrijk, dus nu de rest nog.

Alleen, ja, dan zit je weer met de Partij voor de Dieren.