De Syrische dochter die viel voor een Griek

Gevlucht uit Damascus

De Syrische familie Al-Sasani is op weg naar Nederland gestrand in een Grieks bergdorp. Eén dochter woont daar nu in bij haar geliefde. „Vanaf nu kies ik zelf.”

Foto's Ilvy Njiokiktjien

Klik hier voor de goede versie van het stuk

Het is tien uur ’s ochtends. In de vallei trekt de nevel weg. Op de gangen van het voormalige weeshuis op de berg is het doodstil. De dagen komen voor de vluchtelingen hier traag op gang.

In de kamer van de familie Al-Sasani werken Jamal al-Sasani (56) en moeder Ezdehar Sharashfi (51) zwijgend samen. De kleine tafel bij het raam is bestrooid met bloem. Jamal knijpt staand routineus in hoog tempo kleine bollen van deeg en legt ze op tafel. „In Syrië deden we dat met een machine.” Af en toe doopt hij zijn vingers in een bakje zonnebloemolie. Als hij drie rijen bolletjes heeft grijpt hij de deegroller. „Dat is nu mijn apparatuur.”

Op de stapelbedden slapen kinderen. Kleindochter Sedra (7) is onzichtbaar tussen grijze UNHCR-dekens op de tweede verdieping van een bed met drie lagen. Pas als oma aan haar teen trekt komt een hoofd met warrige krullen omhoog.

Elke centimeter van de kamer is in gebruik. Aan spijkers hangen kledingstukken. Op de bedden liggen tassen en dekens. Een plank langs de muur dient als aanrecht met een eenpitsgasje.

Ezdehar vult de flapjes met een tomatenmengsel of met gekruide kaas. „Chef Ramsay [de tv-kok; red.]”, zegt ze met een knipoog naar haar trotse man.

Dochter Esraa (11) duikelt uit het bed en landt bijna in de metalen bakblikken vol gevouwen pasteitjes. Jamal tilt de bakblikken naar de keuken.

Honderdvijftig Syriërs wonen sinds februari in Konitsa, een Grieks bergdorp dichtbij de Albanese en Macedonische grens. De familie Al-Sasani vertrok begin dit jaar uit Damascus. In de broodfabriek waar Jamal werkte waren twee explosieven afgegaan. Kort daarna was een autobom naast hun huis ontploft.

Amani (17), ook een dochter, duwt met een schouder het gordijn opzij dat overdag als deur en tochtvanger dient en loopt binnen met een teiltje schone afwas. Ze gaat zwijgend op bed zitten. Haar taak zit er op en de dag ligt nog voor haar. Het ergste aan vluchteling zijn in Griekenland, vertelt ze later, is de verveling. En niet weten wanneer die ophoudt.

Rond half elf lopen Esraa en Sedra met een handdoek, zeep, schone onderbroek en tandenborstel in een plastic tasje buitenom naar de toilethokjes. De toiletten zijn gemengd en naast een slaapzaal voor alleenstaande mannen. Links acht douches, rechts acht wc’s.

In de keuken werken de warme pasteitjes van Jamal als honing op bijen. Als ze staan af te koelen onder het raam komt de ene na de andere jongen een praatje maken met Jamal en pikt een flapje mee. De bakker mengt suikersiroop voor over gebak, dat in de vierde ovenschaal gaat.

Als hij met de schalen terugkomt op de kamer valt het gezin aan. Inmiddels is iedereen uit de pyjama. Dochter Nariman (24), de moeder van Sedra, en Ahmed (19), de enige zoon, zijn er ook.

„Mijn vader is verliefd op zijn werk”, zegt Nariman. Ze neemt een teugje Griekse koude koffie uit een plastic beker met rietje. Over de liefde kan ze inmiddels meepraten. Haar wangen zijn fris van de buitenlucht. Ze heeft niet hier geslapen.

Kom je koffie drinken?

Konitsa ligt schitterend in de bergen, met zicht op de rivier Aoos die door de vallei glinstert. In de zomer zijn er veel Griekse toeristen.

Nariman en haar zus Amani maakten er vanaf de lente een gewoonte van in de vroege avond op het dorpsplein op een muurtje naast de Piraeusbank te zitten roken en mensen te kijken. De terrassen waren vol.

Een van de mannen op het terras tegenover hun muurtje had zijn blik steeds op Nariman. „Ik voelde hem wel kijken, maar hij was te verlegen om me aan te spreken.” Toen het haar te lang begon te duren ging ze een sigaret bietsen. In ruil vroeg hij haar nummer. De volgende dag een bericht: ‘je sigaret ligt klaar. Kom je koffie drinken?’.

Sindsdien zijn Nariman en Dimitris Kovoves (37) een stel. En hebben de Griekse dorpelingen en vluchtelingen een nieuw lievelingsonderwerp om te roddelen. Een christen en een moslim samen? Oh, dan heeft zij zich natuurlijk tot het christendom bekeerd. Nee, hij is moslim geworden. Ze zijn getrouwd. Ze zijn niet getrouwd, doet Nariman hen na. In de gang van het vluchtelingencentrum komt ze een leeftijdsgenoot tegen met een peuter aan de hand. „Oh, Nariman, ben je zwanger, gefeliciteerd!”, zegt de vrouw onuitgenodigd. Narimans ogen spuwen vuur. „Ik zeg gewoon op alles ja. Zo maak je die roddelkonten gek.”

Haar moeder, religieuzer, heeft meer moeite met de relatie dan vader Jamal. „Als een man goed is, goed werkt, goed praat, dan heb ik geen probleem met hem”, zegt hij. „Of hij nu Grieks, Syrisch of Nederlander is.” Nariman kijkt hem vol genegenheid aan. „Ik lijk meer op mijn vader. Of je nu christen of moslim bent. Uiteindelijk leef je onder dezelfde god. Waarom zou je de liefde daarvoor verpesten? Het maakt mijn vader ook niet uit of ik een hoofddoek draag of niet. Zodra ik in Nederland ben gaat die af.”

De man met wie ze op haar zestiende in Damascus trouwde, de vader van Sedra, was door haar vader uitgezocht. Dat noemt hij nu zijn ‘grootste fout’. Hij was structureel ontrouw. Nariman kwam alleen onder een niqaab buitenshuis en dat bijna nooit. „Het was een hele slechte ervaring. Vanaf nu kies ik zelf.”

Geregeld neemt Nariman de jongere kinderen mee de kamer uit voor een rondje door het dorp. Dat doet ze als ze uit de bewegingen van haar vader opmaakt dat hij seks met haar moeder wil. „Mijn taak.” Een half uur is genoeg. En je moeder? „Als de man wil, moet de vrouw klaar staan. Zo zijn alle mannen in Syrië.”

Griekse mannen zijn anders. „Respectvol.” Als je geen zin hebt om te vrijen, dan zeg je dat gewoon. Toen Dimitris een keer wat te enthousiast een nicht begroette met kussen op haar wang heeft ze er wat van gezegd. Nu doet hij dat niet meer.

Pasta met roomsaus

Een kok verzorgt in het voormalige weeshuis drie keer per dag een maaltijd. Hij heeft een professionele restaurantkeuken tot zijn beschikking en twee Griekse medewerksters. Vandaag staat – weer! kreunt een jongen die in de keuken komt kijken – pasta met roomsaus op het lunchmenu.

De kwaliteit van de maaltijden is een van de voornaamste gespreksonderwerpen van de vluchtelingen. Ze maken al ruim acht maanden weinig mee. Na een paar maanden in Konitsa gingen ze in hongerstaking. Daarna is de chef vervangen. De nieuwe accepteert hulp van Syriërs in de keuken en laat ze onder toezicht eens in de maand zelf een maaltijd bereiden.

Jamal gebruikt de oven om voor zijn gezin te bakken. Een van de medewerksters stelt de temperatuur voor hem in.

Sinds hij de keuken mag gebruiken en weer bakt is Jamals humeur verbeterd, vertelt Ezdehar, als Jamal ligt te snurken in een van de stapelbedden. „Omdat hij niet graag ruzie maakt met anderen, doet hij dat met ons. Hij is nerveus en kwaad.”

De onzekerheid vreet. Niemand weet hoe lang de vluchtelingen nog in Griekenland moeten blijven. Of waar ze hierna naartoe gaan. „We hadden hier allemaal geen rekening mee gehouden.”

De pastalunch die om half een klaar staat in de eetzaal gaat in bewaarbakjes en staat de rest van de dag met de koolsalade onaangeroerd in een blauwe Albert Heijntas naast de poot van een stapelbed.

Sinds oktober gaan vluchtelingenkinderen tot zestien ’s middags naar Griekse scholen. Amani heeft een jaartje van haar leeftijd afgelogen om ook aan lessen mee te kunnen doen. Zodra de schoolbus op de parkeerplaats staat stormen Esraa en Sedra naar buiten. Een half uur te vroeg zitten ze klaar om te gaan.

Zomers in Latakia

De familie Al-Sasani woonde in een buitenwijk van Damascus. Die werd aan het begin van de oorlog ingenomen door het Vrije Syrische Leger (VSL). Dat eiste hun woning en bakkerij op. Het huis was vierhonderd vierkante meter met een zwembad, mijmert Nariman, die het beste Engels spreekt.

Voor de oorlog was het leven in Syrië perfect zegt ze. „Iedere zomer gingen we een maand naar Latakia aan de kust. Iedereen had geld.”

Ze trokken in bij familie in een andere wijk. Maar ook daar werd het leven steeds onzekerder en duurder. „Ik wilde niet weg”, zegt Nariman. „Ik dacht: als ik dood ga, dan ga ik maar. Maar als je een granaatscherf in een kind ziet na een explosie kun je alleen maar denken: nu hebben we geluk gehad, maar volgende keer? Je kunt nu geen normaal leven hebben in Syrië. Er worden ook veel mensen gekidnapt voor geld.”

De twee kinderen uit Jamals eerste huwelijk waren al gevlucht. Zijn zoon woont sinds het begin van de oorlog in Nederland. Hij bereidt zich voor op examens en wil niet geïnterviewd worden.

Dochter Nadia (31) slaagde er vier maanden geleden in met haar twee kinderen via gezinshereniging naar haar man in Nederland te komen. Ze moest een omweg via Soedan nemen, een van de weinige landen waar Syriërs nog zonder visum heen kunnen. Inmiddels hebben ze een eengezinswoning in Geffen bij Oss en ze is opnieuw zwanger. De rest van de familie wil daarom ook naar Nederland.

Na de verkoop van Ezdehars juwelen was de eerste moeilijkheid om bij degrens met Turkije te komen, slalommend tussen gebieden die in handen zijn van het regime en van oppositiemilities. Daarna lopend illegaal de grens over bij Antakya in Turkije. „Het zwaarste deel”, zegt Nariman. „Ik moest met de ene hand Sedra meeslepen en met de andere hand mijn moeder duwen, die niet goed genoeg door de bergen kon lopen.” Een tocht van meer dan tien uur. In Turkije moesten ze drie dagen herstellen.

Zoon Ahmed woonde al een jaar in Istanbul. Hij deelde een woning met neven en had (zwart) werk gevonden bij een fabriek die plastic dakplaten produceert en exporteert. Hij wilde niet weg uit Turkije. Hij heeft er vrienden, begon de taal onder de knie te krijgen en verdiende geld. „Het is daar meer zoals in Syrië. Het eten is beter dan hier. Voor tien lira had je een gebraden kip”, zegt hij. „Maar ik kon geen nee zeggen tegen mijn moeder.”

Ezdehar stond erop dat de familie bij elkaar bleef en Ahmed de oversteek naar Griekenland ook zou maken. Waarom? Nariman rolt met haar ogen. „Ik wil dit niet vertalen.” Ze doet het toch. „Dochters zijn niets”, zegt haar moeder . „Ahmed is mijn licht. Als hij niet was gegaan, was ik ook in Turkije gebleven.”

Dichte grens

Ze betaalden een smokkelaar voor een bootje van Didim in Turkije naar het Griekse eiland Leros. Van Leros namen ze na registratie de boot naar Athene. Dat kon toen nog. Na 20 maart zijn alle vluchtelingen op de eilanden gehouden.

Het plan was vanuit Griekenland door te reizen. Ongeveer een miljoen vluchtelingen waren hen al voorgegaan.

Maar nu zat de grens met Macedonië dicht. In Athene werden ze door hulporganisaties met andere Syriërs in drie bussen gezet richting Konitsa. De voorlopige eindbestemming. Niet Nederland.

„Toen we aankwamen zeiden ze ‘voor veertien dagen’. Dat vonden we al lang”, vertelt Nariman. Het werd een maand. En nog een maand. En nog een. Inmiddels zijn het er acht.

Ahmed: „Uit Turkije weggaan is een gok. Sommigen die voor ons vertrokken hebben het nu heel goed in Duitsland en Zweden. En wij wachten en wachten.”

Hij wil terug naar Turkije. Zijn moeder wil er niets van horen.

Hij komt de kamer binnen om de anderen te halen. Moeder Ezdehar pakt de zwart-rode buideltas met belangrijke documenten en loopt achter hem aan.

Medewerkers van hulporganisatie Mercy Corps en Oxfam Novib houden een paar uur kantoor in een kamer bij de hoofdingang. Ze geven de vluchtelingen maandelijks geld op een creditcard. Negentig euro voor een alleenstaande, oplopend tot maximaal 340 euro per maand voor een gezin met meer dan zes leden. Het gaat op aan eten en kleding.

Niet zelf kiezen

Half december hebben de meeste bewoners van het weeshuis in Konitsa een afspraak om voor het eerst hun asielrelaas te vertellen. Tot nu toe zijn ze alleen geregistreerd op basis van nationaliteit, leeftijd, geslacht en omvang van het gezin. „We wachten op het interview”, zegt Jamal. „En daarna beslissen zij. Niet wij.”

De Syriërs in Konitsa krijgen vrijwel zeker asiel in de EU. Doordat ze zijn aangekomen voor het akkoord tussen Turkije en de EU van kracht werd, is de kans groot dat ze doorgaan naar een ander land in Europa. Maar dat land mogen ze niet zelf kiezen. Familiehereniging wordt alleen gedaan met minderjarige kinderen, niet met volwassen broers of zussen zoals de Al-Sasani’s in Nederland.

EU-landen hebben afgesproken 66.400 asielzoekers uit Griekenland over te nemen. Alleen: daar houden ze zich amper aan. In een jaar tijd, tot 27 oktober, zijn 4.988 mensen doorgestroomd. Ruim 7.500 geselecteerde vluchtelingen staan in Griekenland op de wachtlijst. Daar komt de familie al-Sasani straks naar alle waarschijnlijkheid ook voor onbepaalde tijd op. Amani krijgt het benauwd bij de idee nog een stuk van haar leven kwijt te zijn aan ‘eten, slapen, koffie drinken, eten, slapen’. „Ik kom hier aan.”

Onder vluchtelingen in Griekenland geldt een plaats op de wachtlijst nu als het hoogst haalbare en een bevoorrechte positie. Mensen uit landen als Afghanistan maken geen kans op vestiging elders in Europa en krijgen in Griekenland al slechtere huisvestiging.

Het voormalige weeshuis in Konitsa geldt als een van de beste kampen. Kleinschalig en vluchtelingen hoeven niet in tenten te wonen. In het dorp met 3.500 inwoners zijn ze hartelijk ontvangen.

Als een diva

Op 16 augustus, de verjaardag van Dimitris, is Nariman ingetrokken bij Dimitris en zijn ouders Frederiki en Kostas . Zonder dochter Sedra. Die wordt door oma opgevoed. Ze wonen vijfhonderd meter van het vluchtelingencentrum. Het is een ruim appartement op de bovenste laag van een vrijstaand gebouw met meerdere appartementen. Beneden woont een Albanees gezin met twee jongetjes.

Nariman staat ’s middags als een diva in de deuropening in een zwarte lange zomerjurk met dunne schouderbandjes en een split. Haar voeten in leren slippertjes met zilveren bloemen. Ze blijkt glanzend donkerbruin halflang haar te hebben.

Ze steekt op het balkon een sigaret op en praat in beginners-Grieks met haar schoonmoeder. Alsof het nooit anders geweest is roeren Nariman en Frederiki afwisselend in een pan of ruimen iets op. Dimitris, deeltijd boer, is op het land. Sedra en Esraa hangen op de bank en kijken tekenfilms.

Schoonvader Kostas komt bezweet binnen. Hij heeft samen met Jamal achter het huis hout gehakt voor de winter en is toe aan een borrel. Hij heft het halfvolle limonadeglas tsipouro op het uitzicht en de rust. „In Amsterdam zou ik gek worden van het verkeer”, zegt hij.

Nariman niet. Ondanks het uitzicht en ondanks Dimitris wil ze door. „Ik wil studeren en werken.” Nu hier trouwen, betekent moeten blijven en dus haar kans verspelen op een toekomst in West-Europa zegt ze. „Ik heb het een advocaat voorgelegd.” Ze klinkt als een Griek als ze over Griekenland praat. „75 procent belasting? Dan kun je net zo goed gelijk alles nemen.”

Als ze naar buiten gaat hijst ze zich in twee shirts over elkaar met lange mouwen, een lange broek, een wollen muts en een zonnebril. Geen traditionele Syrische vrouwenoutfit, maar ook geen flamboyante Griekse meer. Er piept geen haar onderuit.

Aan het einde van de middag zitten Ezdehar, Amani en een buurvrouw aan tafel met een kleine groene waterpijp. De kinderen zijn naar school. Ze zuigen er om beurten aan. Een medewerkster van de opvang steekt haar hoofd om de deur. Ze trommelt vrouwen op voor een verlovingsfeest in een kamer een gang verder.

Mohammed Nasoh was onderweg naar zijn verloofde in Zweden. In de zomer liet ze hem weten dat ze niet langer bleef wachten. Hij was wanhopig en probeerde haar terug te winnen met foto’s van mooie bloemen via Whatsapp. Daarna zijn Iman (28, gescheiden) en hij voor elkaar gevallen. Ze willen samen naar Duitsland.

’s Avonds na achten meldt Dimitris zich telefonisch. „Habibi! Where are you?” vraagt Nariman. Ze vindt dat hij veel te hard werkt. Hij repareert elektronica en houdt schapen, geiten en koeien voor het vlees. Hij blijkt een beer van een vent en helemaal niet verlegen. Op het balkon van zijn ouderlijke woning plagen ze elkaar de hele tijd. Hij probeert haar uit haar tent te lokken, zodat ze in het Arabisch gaat tieren.

Dimitris is gelukkig, zegt hij, maar niet gerust op de toekomst. Voor hij Nariman ontmoette dacht hij nooit over emigreren. Nu wel, want het moment dat ze vertrekt zal komen. Hij dwingt zichzelf na te denken over een bestaan buiten Griekenland. Vanwege Nariman en vanwege de slechte Griekse economie.

Hij kijkt naar zijn ouders, die genieten van de reuring in huis. Zijn broer is omgekomen in het verkeer. Kan en wil hij ook weg? „Ik ben nog hun enig kind.” Nariman wil niet praten over blijven in Griekenland. De vluchtelingen moeten door.