Sinterklaas 1981

Om van al het gezeur af te zijn, zou je soms het hele sinterklaasfeest willen afschaffen. Ik kreeg even last van deze verkeerde gedachte toen ik hoorde dat enkele Amsterdamse banketbakkers voor racist waren uitgemaakt, omdat ze zwarte pietjes van marsepein hadden vervaardigd. Hun vitrines werden besmeurd door anonieme daders. Hoeveel haat heeft een mens nodig om zich gelukkig te voelen?

Nee, juist doorgaan met dat feest, en liefst met pieten in álle kleuren van de rest van de mensheid. Waarom? Omdat het een onvergetelijk feest is voor kinderen. Is, was – en moet blijven.

Ik werd in mijn opvatting bevestigd door een appje dat mijn jongste dochter ons dezer dagen toestuurde. Ze schreef dat haar zoon Hidde (bijna 9) niet meer in Sinterklaas gelooft. „Sinterklaas bestaat niet”, had ze tegen hem gezegd omdat ze hem inmiddels rijp vond voor deze inwijding in de Grote Wereld. „Jee”, reageerde Hidde, „dat wist ik al wel.” „Waarom heb je ons dat niet verteld?”, vroeg mijn dochter. „Ik wist niet of jullie het al wisten”, zei Hidde.

Op een begeleidend filmpje was te zien hoe Hidde en zijn jongere broertje Jens op de bank voor de tv zaten te genieten van de intocht van Sinterklaas in Maassluis. Op een tafeltje voor hen lag een banketstaaf tussen twee bekers chocola met slagroom en bakjes met pepernoten. De heertjes van het Goede Leven. „Hidde gelooft er nu weer in”, meldde mijn dochter.

Mijn oudste dochter stuurde een appje – er wordt wat afgeappt in zo’n hedendaagse familie – terug met de mededeling dat zij het ook háár dochtertje had verteld. „Fay vroeg ernaar. Ze moest zó huilen. Ik moest destijds ook ontzettend huilen toen ik het hoorde.”

Daarvan was geen woord overdreven. Ik weet het weer omdat in de familie een geluidsbandje circuleert dat ik van het sinterklaasfeest in 1981 bij ons thuis heb opgenomen. Ik was het bandje vergeten, maar toen ik het terughoorde kwam alles weer boven. Mijn ouders waren er ook bij, je kunt aan hun vrolijkheid merken dat de dood hun nog lang niet op de hielen zat; grootouders kunnen grote kinderen zijn.

Sinterklaas komt binnen met zijn ongetwijfeld pikzwarte Piet. Het onverwoestbare ritueel kan beginnen. „Gaat u even zitten”, zegt mijn moeder. „Ik zie dat de kindertjes er helemaal van geschrokken zijn”, zegt de Sint. „En ze kunnen zo goed zingen”, zegt mijn moeder. „Ik wil het graag horen”, zegt de Sint. Zo gaat het geflikflooi van de volwassenen nog even door, maar mijn oudste dochtertje – dat niet meer geloofde – is volledig stilgevallen. „Jij zou altijd zo vrolijk zijn, maar ik merk er niets van”, zegt de Sint. „Ze is er wat van in de war”, zegt mijn moeder.

Er wordt toch nog even aardig gezongen, de Sint meldt dat hij de cadeautjes boven heeft gedeponeerd en dat hij nu weer andere kindertjes gelukkig moet maken. „Goede reis!”, roepen we uit één dankbare keel. Hij is de deur nog niet uit of mijn oudste dochtertje zucht: „Ik vond het een beetje leuk, mama, maar ik doe het nooit meer.”

„Waarom niet?”, willen we weten. „Ik vond het eng”, zegt ze, „ik durfde niet te zingen. Maar Zwarte Piet vond ik wel aardig.”

Vijfendertig jaar geleden. Toen al was Zwarte Piet de aardigste van de twee. Voor de kinderen zal hij dat altijd blijven, zwart of niet.