Ooit moeras, nu een van de rijkste wijken van het land

Scheepvaartkwartier Scheepvaartkwartier houdt de herinnering levend aan de snelle opkomst van Rotterdam als wereldhaven. Ooit was het zelfs toneel van een ‘ware revolutie’.

Het Scheepvaartkwartier gezien vanaf de Euromast. De 60 hectare grote wijk telt 98 rijksmonumenten. Foto Jordy Rietbroek

Een watertaxi stuitert op het Maaswater, verderop bonken trams over de Erasmusbrug. De Van Vollenhovenstraat ligt open voor rioleringswerkzaamheden: veel lawaai ondanks geluidwerende schermen.

Toch lijkt de tijd in het Scheepvaartkwartier te hebben stilgestaan. Van de ruim 500 rijksmonumenten die Rotterdam telt, staan er 98 op deze zestig hectaren gelegen tussen Westzeedijk, Nieuwe Maas en Parkhaven. Dit is niet alleen een van de twintig rijkste wijken van Nederland, maar ook die met de hoogste monumentdichtheid en sinds 1977 beschermd stadsgezicht.

In het onlangs verschenen Scheepvaartkwartier beschrijft historisch onderzoeksbureau Stad en Bedrijf ‘drie eeuwen stadsleven aan de Maas’.

Tot ver in de zeventiende eeuw was het hier niets dan moerasland. Met de aanleg van de Zalmhaven (in 1991 gedempt) begon de eerste, moeizame ontginning. Het Scheepvaartkwartier houdt de herinnering levend aan de snelle opkomst van Rotterdam als wereldhaven in de negentiende en twintigste eeuw en de daaruit voortvloeiende rijkdom van ondernemende Rotterdammers.

Die rijkdom zie je terug in de prachtige stadspaleizen aan de Parklaan van families als Mees, De Monchy, Muller, Van Rijckevorsel en Jamin. Na het zakendoen konden zij zich verpozen in het Park, ontworpen door Zocher, of in het clubgebouw van de Koninklijke Roei- en Zeilvereniging De Maas aan de Veerhaven.

De havenarbeiders die de schepen laadden en losten, bewoonden aan de andere kant van de Westzeedijk benauwde etages in lange, smalle straten. Toen rond de eeuwwisseling machines hun bestaan bedreigden, roerden zij zich.

Volgens de onderzoekers van Stad en Bedrijf kostte het lossen van een graanschip van 600 ton aan 126 bootwerkers, wegers en zakophouders zeven tot acht dagen. Om twee graanelevatoren te bedienen waren niet meer dan veertien man nodig om de klus in dezelfde tijd te klaren.

In 1907, toen de Graan Elevator Maatschappij twee elevatoren in gebruik wilde nemen, riepen de bonden van de bootwerkers een staking uit. Om die te breken, nam de Maatschappij werklozen in dienst die werden gehuisvest in de Calandstraat.

Het kwam tot „een ware revolutie”, schrijft onderzoekster Annelies van der Zouwen, toen bootwerkers zich meester maakten van schepen in de Rijnhaven aan de overkant van de rivier. Mensen die zich op die schepen bevonden, werden overboord gegooid. Politieagenten op de kant gaven zich over door hun sabels in de hoogte te steken. Honderd extra agenten en dertig mariniers werden ingezet om de orde enigszins te herstellen. Het marineschip Piet Hein kwam eraan te pas om de ‘Calandstraters’ te beschermen in de onrustige maanden die volgden. In de verstilde Calandstraat van nu is het onvoorstelbaar dat er ooit iets te doen was.

In de eerste helft van de twintigste eeuw bouwden ondernemers als Ruys, Van Beuningen, Van Ommeren en Goudriaan statige kantoorpanden rond de Veerhaven. Op de hoek van de Parklaan en de Parkstraat verrees de Parklaanflat van architect Willem van Tijen die zelf zijn intrek nam op de zevende verdieping. Nog steeds is dit gebouw een vreemde eend in de bijt van het statige Scheepvaartkwartier.