Nieuw leven

Geen podiumkunstgenre heeft zo’n ingewikkelde relatie met vernieuwing als, juist, de klassieke muziek. Pop en jazz? Die leven van nieuwe namen en nieuwe vondsten. Toneel? Geen actuele kwestie (bankenfraude, vluchtelingenvraagstuk) blijft onberoerd. Natuurlijk: er zijn ook levende componisten. Zij schrijven nieuwe „kunstmuziek” en zijn in hun muziek vaak met vrij-wapperende Spotify-geest genreoverstijgend bezig. Maar de meeste klassieke muziek is gewoon oud; meer noch minder dan de mooiste noten die hier de afgelopen 500 jaar werden bedacht door (omgerekend) een arena vol langjarig geschoolde, ploeterende componisten die in noten probeerden te vangen wat het leven de moeite waard kan maken (emoties, de orde der dingen, liefde, geloof, de verheffende kracht van schoonheid, de symbolische tover van welluidende meerstemmigheid).

Juist omdat muziek zijn eigen taal spreekt, veroudert goede muziek nooit. Lassus, Bach of Chopin – ze reiken je steeds opnieuw de hand, over de eeuwen heen. Zeker wanneer ze worden uitgevoerd door musici die nú leven, voelen en denken en „oude” muziek op eigen wijze opnieuw tot leven wekken. Of het nou de nieuwe Don Giovanni door enfant terrible Teodor Currentzis betreft of Bachs Franse suites door meesterpianist Murray Perahia – écht grote musici geven muziek nieuwe betekenis. En velen doen dat in steeds bredere zin. Musici als dirigent Raphael Pichon en pianist Igor Levitt maken ambitieuze cd’s (Rheinmädchen, Bach/Rzewski) waarop ze ook „curator” zijn, en muziekstukken bijéén brengen op een nieuwe manier. Thematisch, vanuit een interessant, weloverwogen concept. Grabbelend in een schatkist die nooit leeg raakt.