Recensie

Grillige wolken boven een bezette stad

Hanny Michaelis

Negen jaar na de dood van Michaelis (1922-2007) is deel 1 van haar oorlogsdagboek verschenen. Het laat heel goed zien hoe braaf en naïef veel joodse Nederlanders aan het begin van de bezetting waren.

Illustratie Paul van der Steen

De Amstel is in 1940-’41 een grote troost voor Hanny Michaelis. De 18-jarige gymnasiaste hoeft alleen maar uit het raam van haar ouderlijk huis aan de rand van Amsterdam te kijken, of ze kan die rivier al zien. En telkens is ze opnieuw betoverd. Zo schrijft ze op 11 september 1940 in haar dagboek: ‘Af en toe glijdt er een fel, hard licht over de vlakke, geelgroene weiden, terwijl de Amstel het ene moment grauw en somber voortstroomt en er het andere moment schitterende lichtflitsen over het rimpelende water dansen. Maar het mooist is de grillige, wisselende wolkenhemel erboven en dat uitbundige, heldere zonlicht, dat opflitst tegen het ruwblauw van de lucht.’

Het zijn beeldende beschrijvingen, waarvan je in Lenteloos voorjaar. Oorlogsdagboek 1940-1941, het eerste deel van de postuum uitgegeven oorlogsdagboeken van Hanny Michaelis (1922-2007), volop kunt genieten. Behalve de ontwakende dichteres, tonen ze echter ook haar onbezorgde blik op de toekomst.

Voor een 21ste-eeuwse lezer heeft die houding iets naïefs, vooral omdat Michaelis van joodse afkomst is en Nederland zucht onder de Duitse bezetting. Maar politiek interesseert haar niet en haar afkomst evenmin. Wel maakt ze zich zorgen om haar proefwerken Latijn en Grieks, om de hatelijke opmerkingen van haar leraar Grieks, de NSB’er Van Leeuwen, en om haar onbeantwoorde liefde voor haar klasgenoot Eldert Willems. Ook heeft ze moeite met haar moeder. En dan is er nog haar leeshonger, die haar via de gebroeders Mann, Stefan Zweig en Stendhal naar Slauerhoff, Du Perron, Marsman, Ter Braak en vooral Vestdijk voert. Een belangrijke rol bij die literaire ontwikkeling speelt haar leraar Nederlands, D.A.M. Binnendijk, die haar gedichten van commentaar voorziet en op wie ze hopeloos verliefd wordt.

Zorgeloosheid

Juist die zorgeloosheid en de beschrijvingen van het dagelijks leven tijdens de Duitse bezetting maken dit dagboek boeiend. Op het eerste gezicht sleurt het je het Joop ter Heul-achtige bestaan binnen van een intellectuele bakvis, die met haar hartsvriendin Greetje onafgebroken wedijvert om de geheimzinnige, maar saaie Eldert. Maar het laat ook zien hoe leraren en leerlingen van een hoofdstedelijk gymnasium zich door de Duitse bezetter laten misleiden tot er geen uitweg meer mogelijk is.

De bezetting lokt in 1940 vooral nachtelijke Engelse bombardementen op Schiphol uit. Maar de bommen zwaaien regelmatig af en komen in de Rivierenbuurt terecht, waar Michaelis met haar ouders woont. Ondanks dat permanente gevaar beschrijft ze ook die bombardementen en het luchtdoelgeschut met zijn dansende schijnwerpers in poëtische geuren en kleuren. Haar opgewektheid lijkt vooral gebaseerd op de, door velen gedeelde, hoop dat Hitler spoedig Engeland zou binnenvallen en daaraan ten onder zou gaan.

De oorlog lijkt in Lenteloos voorjaar hoogstens een vervelende bijkomstigheid, met af en toe een paar toevallige doden om de hoek. Zelfs als op last van de Duitsers het leerboek algemene geschiedenis wordt gecensureerd, door de foto’s van Marx, Einstein en Bebel over te plakken en de pagina’s over de Volkenbond te verwijderen, kan Michaelis daar het komische van inzien. Alleen als haar leraar Grieks steeds vaker denigrerende toespelingen maakt op haar joodse afkomst wordt ze boos. Ze stoort zich daarom aan haar vriendin Greetje, die zich in de klas klein maakt omdat ze bang is dat Van Leeuwen iets hatelijks over joden zal opmerken en dan ook op haar wijst.

Wel schrikt Michaelis als eind november 1940 de joodse leraren worden ontslagen. Een van hen is haar geschiedenisleraar Jacques Presser. Over deze geniale docent, die na de oorlog hoogleraar wordt, heeft ze een meedogenloos oordeel, dat je ook bij haar latere echtgenoot Gerard Reve leest: ‘Ik vind Presser een schat van een man, maar als het op een eigen mening en moed aankomt, verschuilt hij zich achter gemeenplaatsen en probeert hij zich “gedekt” te houden.’ Ook ergert ze zich aan Pressers medelijden met de NSB’ers op school, zoals haar leraar Grieks. ‘Het is een typisch joodse trek, ik weet niet waar dat aan ligt,’ schrijft ze.

Februaristaking

Als er een leerlingenstaking uitbreekt tegen dat ontslag, doet ze mee, in de hoop dat als represaille de school wordt gesloten en ook de NSB-leraren geen les meer kunnen geven. Maar ze behoort tot een minderheid en de staking mislukt. Dankzij de tact van de rector, die in wezen solidair met hen is, komen de stakers er met een lichte straf vanaf. En ook al dringt vanaf dat moment de politiek langzaam tot haar leven door, op 1 januari 1941 noteert ze in haar dagboek: ‘Toch, afgezien van de ellendige situaties waarin we hals over kop zijn verzeild geraakt vond ik 1940 wat mijn eigen intieme belevenissen aangaat, een van de prettigste jaren die ik tot nog toe heb meegemaakt.’

De situatie voor de joden wordt nijpender als in februari 1941 in de Amsterdamse jodenbuurt rellen uitbreken. Tijdens een vechtpartij tussen NSB’ers en joden anderzijds, komt WA-man Koot om het leven. Tweehonderd jonge joodse mannen worden opgepakt en naar concentratiekamp Mauthausen gedeporteerd. Een grote staking breekt uit. En al wordt het dagelijks leven van Michaelis in die tijd vooral bepaald door haar verliefdheid op Binnendijk, toch lijkt ze zich nu ineens wel bewust van het gevaar dat ze loopt. Ze heeft het over de onheilspellende anti-joodse rede van de Rijkscommissaris Seyss-Inquart. Ze schrikt als er nieuwe razzia’s worden gehouden en is woedend als Van Leeuwen haar vraagt: ‘Bén jij eigenlijk Nederlandse?’ Maar tegelijkertijd leest ze Freud, gaat ze naar huisconcerten waar haar vader optreedt, en voert ze intieme gesprekken met hem over ontmaagding. Steeds sterker wordt haar verlangen naar een man, met wie ze behalve dat ene ook haar liefde voor literatuur kan delen. Binnendijk blijft haar ideaal, maar hij is getrouwd en houdt het bij een flirt.

Gelukkig zijn er de romans die ze van hem en van Presser leent. Ook speelt ze met haar vader op de piano Schubert en Mozart. En natuurlijk zijn er de oevers van de Amstel, waar ze al fietsend tot bedaren komt. Zo schrijft ze in maart 1941: ‘De Amstel ziet er uit als stromend, vloeibaar zilverpapier. Je ziet bijna geen water meer, alleen een voortdurend gewemel van dansende zonnelichtjes op de golven.’

Nu al zie ik uit naar deel twee van dit dagboek, dat over haar onderduik gaat. Ik vraag me af of die troostende factoren dan nog een rol van betekenis spelen. Het enige dat ik vooralsnog zeker weet, is dat ze het zal overleven. Haar ouders worden in Sobibor vermoord.