Een zo getrouw mogelijke reconstructie op Rokin 70

Architectuur

Het Rokin moet chiquer worden en dus zijn de regels voor verbouwing streng. Op nummer 70 werd het pand historisch herbouwd.

Een van de eigenaardigheden van winkelstraten is dat je geheugen je in de steek laat. Al gauw nadat een winkel heeft plaatsgemaakt voor een andere, ben je de oude vergeten. En als het winkelpand wordt verbouwd, weet je een paar weken na de oplevering al niet meer hoe het er voor de verbouwing uitzag.

Zo ging het ook met het pand op Rokin nummer 70. Vele weken stond daar een schutting voor, lang genoeg om te doen vergeten dat het voor de verbouwing tot een algemeen verhuurbare winkel een antiekzaak was. En dat er boven de etalage over de hele breedte van het pand ‘Salomon Stodel antiquités’ stond geschreven.

Toen de schuttingen een week geleden werden weggehaald, bleek de oude pui uit 1936 met een ingang aan de linkerkant en grote etalage te zijn vervangen door een winkelingang met pilasters en andere klassieke versieringen. Die passen goed bij de rest van het pand, dat stamt uit het einde van de 19de eeuw. „Ja, dat is natuurlijk niet toevallig”, zegt architect Henk Duijzer die de verbouwing van het pand Rokin 1970 ontwierp. „Ik heb de oorspronkelijke 19de-eeuwse pui zo goed mogelijk gereconstrueerd.”

De verbouwing van de pui was noodzakelijk omdat de eigenaar van het pand, de familie Stodel, een winkel wilde met een ingang in het midden. „Maar de tijd dat welstand toestaat dat je de oude pui vervangt door een goedkoop ding van glas is voorbij”, legt Duijzer van LUX architectuur en advies uit. „Het Rokin moet chiquer worden. Welstand wil dat de onderkant van het pand past bij de bovenkant. Het liefst wil de commissie ook een flinke plint, zodat het glas niet tot de grond doorloopt, en een gevel met reliëf. Of je dat in een moderne of ouderwetse stijl doet, maakt niet uit.”

Tekening uit 1889

Van huis uit is Duijzer geen architect die historiserend bouwt, maar toch koos hij voor een reconstructie van het origineel. „Het is heel moeilijk om in moderne stijl aan de welstandseisen te voldoen”, verklaart hij zijn keuze. „En toen ik tijdens de voorbereidingen van het ontwerp een tekening uit 1889 van de originele pui vond, besloot ik tot een reconstructie. Die is wel anderhalf tot twee keer zo duur als een gewone winkelpui, maar dat vond de pandeigenaar geen punt. Ook voor de knipvoegen in het metselwerk in het bovenste deel van het pand betaalde hij graag meer. Dat is precisiewerk dat weinig metselaars nog beheersen.”

Probleem bij de reconstructie was dat veel details in de oude tekening onduidelijk waren. „En hoe je klassiek moet bouwen, heb ik niet geleerd tijdens mijn studie bouwkunde”, legt hij uit. „Ik ben toen door de stad gaan wandelen om te zien hoe de details in soortgelijke gebouwen uit die tijd zijn. Sommige daarvan heb ik overgenomen. Kijk, die bloemetjes in de driehoeken aan weerszijden van de boogvormige ingang en ramen heb ik overgenomen van een gebouw op de Dam. En dat balkje boven de Ionische krullen van de pilasters vond ik op een pand in de Herenstraat. Maar uiteindelijk is het toch geen exacte reconstructie geworden. Alleen al het gegeven dat de ingang oorspronkelijk aan de zijkant zat en nu in het midden, betekent dat ik niet kon volstaan met kopiëren.”

Ook uitvoering ‘ouderwets’

Opvallend genoeg ontbreken de buitenste krullen van de Ionische pilasters – slanke, bovenaan versierde oud-Griekse zuilen – die de gevel afsluiten. „Ja, zo stond het op de tekening uit 1889”, legt Duijzer uit. „Natuurlijk is een Ionisch kapiteel met maar één krul een gruwel voor een echte classicistische architect. Maar het past in de traditie van de klassieke Nederlandse bouwkunst. Er bestaan maar heel weinig gebouwen in Nederland die precies volgens de regels van renaissance-architecten als Palladio zijn gemaakt. Bij het grootste deel van de huizen en andere gebouwen in het oude Amsterdam kwam geen architect te pas. Meer dan driekwart werd gebouwd door aannemers die de klassieke versieringen en maten aanpasten aan bijvoorbeeld de smalle grachtenhuizen met hoge ramen.”

Ook in de uitvoering ging Duijzer heel ouderwets te werk. Voor het maken van de klassieke pui vond hij een houtsnijder die de vele tientallen onderdelen met de hand vervaardigde. „De vele details in een klassieke gevel doen een groot beroep op de inventiviteit”, vertelt Duijzer. „Op een gegeven moment belde de houtsnijder me op: of hij een bepaald randje hol in plaats van bol mocht maken. Hij had niet het gereedschap om het bol te maken. Ik hield mijn poot stijf. Uiteindelijk vond hij een manier om het randje te maken zoals ik het getekend had.”