De schouwarts heeft zich ingegraven

Wie: Reinier D. (62)

Waar: Meervoudige kamer rechtbank Zwolle

De kwestie: schouwarts verdacht van meineed

Onderaan de trap in haar eigen huis lag de weduwe Tillema, ze was al koud en stijf toen de schoonmaakster haar vond.

De lijkschouwing werd uitgevoerd door de 62-jarige schouwarts Reinier D. Hij had decennia ervaring, en was nog maar jaren verwijderd van zijn pensioen. Zijn conclusie: de weduwe was van de trap gevallen en overleden aan de gevolgen van een schedelbasisfractuur.

Maar hij zat ernaast. De weduwe was niet gevallen, ze werd vermoord. De dader, haar computerhulp, is inmiddels tot elf jaar celstraf veroordeeld.

Een verkeerde conclusie van een schouwarts, dat kan gebeuren. Het vaststellen van een doodsoorzaak is geen exacte wetenschap. Toch zit Reinier D. vandaag als verdachte tegenover de rechtbank in Zwolle, een wat oudere man met een onopvallend gezicht. Hij draagt een blauwe spencer boven zijn overhemd, zijn vrouw zit schuin achter hem. De schouwarts ziet bijzonder op tegen deze zitting, vertelt zijn advocaat Hans Anker. Hij is „bezorgd en nerveus”.

Je werkt als schouwarts nauw samen met justitie, maar je kunt dus ook, zó maar, tegenover elkaar komen te staan. Vele schouwartsen – de meesten gekleed in stemmig blauw, zwart of een krijtstreepje – zijn naar de zitting gekomen om hem te steunen.

Het Openbaar Ministerie beschuldigt Reinier D. van meineed. Tijdens de de rechtszaak rond de moord op de weduwe Tillema zei hij ineens dat hij tijdens de lijkschouwing had gebeld met haar huisarts. Daarmee impliceerde hij: ik heb niet zomaar gezegd dat ze was gevallen, ik heb mij ook geïnformeerd over haar ziektegeschiedenis. Als de vrouw bijvoorbeeld een evenwichtsstoornis had, dan had dat bijgedragen aan het beeld dat ze gevallen zou kunnen zijn.

Helaas voor de schouwarts was de huisarts van de weduwe op vakantie, de dag dat ze werd gevonden. En geen van de collega’s in de praktijk herinnert zich een telefoontje van de schouwarts. Er is alleen een notitie van de assistente over een belletje met een ambulancemedewerker.

Belgegevens konden niet meer worden achterhaald, want de rechtszaak waarin Reinier D. meineed zou hebben gepleegd vond plaats in maart 2014, de moord was al in juli 2013. De rechtbank heeft als getuige de agent opgeroepen die bij de lijkschouwing was. Reinier D. zegt dat zij hem het telefoonnummer heeft verschaft van de huisartsenpraktijk. Maar dat heeft ze zeker niet, zegt ze op zitting.

Het is duidelijk. Niets wijst erop dat Reinier D. tijdens de schouw de huisarts heeft gebeld. Integendeel. Maar juridisch ligt het ingewikkelder, stelt advocaat Anker. Dat niet bewezen kan worden dat het telefoontje is gepleegd, bewijst nog niet dat het niet is gebeurd. Wie zegt dat alle telefoontjes worden genoteerd in die praktijk? Anker weet van een ander telefoontje dat „in geen logboek” is genoteerd.

Reinier D. schuift met A4tjes. Hij blijft erbij, zegt hij, dat hij die dag heeft gebeld met een arts. Ook staat hij nog steeds achter zijn schouw. Hij voelt zich „aangeschoten wild”. Alle lijkschouwers hier denken ook: als je telefoongegevens niet meer te vinden zijn, sta je in je hemd. De rechtbanktekenaar van een ander medium legt subtiel de verongelijkte trek rond zijn mond vast.

Er is kritiek geweest op het besluit om de schouwarts te vervolgen, maar bij vermoedens van meineed vervolgt het OM altijd. „Iedereen moet erop kunnen vertrouwen dat onder ede de waarheid wordt gesproken.”

De officier van justitie ziet een verdachte die zich „heeft ingegraven in zijn gelijk”. Die „liever onder ede onwaarheden vertelt” dan „erkent dat hij ernaast zat”. Ze eist een werkstraf van 120 uur en twee maanden geheel voorwaardelijke celstraf.

De rechtbank concludeert dat het „niet anders kan zijn” dan dat er geen contact is geweest. En dus heeft de schouwarts meineed gepleegd. Hij krijgt een hogere werkstraf dan geëist, 180 uur maar geen voorwaardelijke celstraf. Een stok achter de deur is volgens de rechtbank niet nodig.