‘Dodental in kledingfabrieken Bangladesh is drastisch minder’

Kalpona Akter, vakbondsactivist Kalpona Akter zet zich in voor arbeiders in de kledingfabrieken van Bangladesh. „Staken is voor hen nog altijd te gevaarlijk.”

Foto Catrien Ariens / Hollandse Hoogte

Voor de verandering goed nieuws uit de kledingfabrieken in Bangladesh: de kans op dodelijke ongelukken is er aanzienlijk verminderd sinds in 2013 het acht verdiepingen tellende Rana Plazacomplex instortte. Daarbij kwamen ruim 1.100 mensen, overwegend jonge vrouwelijke arbeiders, om het leven.

„Vóór 2013 kwamen in de kledingfabrieken gemiddeld 200 arbeiders per jaar om, in de jaren daarna minder dan tien”, zegt Kalpona Akter. „Dat is een enorme verbetering, al blijft het verdrietig dat mensen eerst moesten sterven voor er serieus werd gekeken naar de veiligheid.”

Akter is directeur van het Bangladesh Center for Workers Solidarity, dat zich inzet voor de verbetering van de positie van de werknemers in de kledingindustrie. Zij was in Brussel op uitnodiging van Human Rights Watch en sprak ook met leden van het Europees Parlement.

Westerse kledingimporteurs hebben na het instorten van Rana Plaza flink bijgedragen aan de verbeterde veiligheid. Vooral Accord, een door ruim 200 westerse firma’s betaalde organisatie die naar aanleiding van Rana Plaza via inspecties controleert of fabrieken aan de nieuwe veiligheidsnormen voldoen, heeft een positieve rol gespeeld. Accord beëindigt zijn werk in principe in 2018, waarna de regering van Bangladesh de inspecties wil overnemen. „Maar wij zeggen dat de regering helemaal niet is toegerust om de fabrieken veilig te houden”, zegt Akter. Volgens haar is het nodig dat Accord langer blijft.

Dat de veiligheid in fabrieken nog niet deugt, bleek in februari bij een kledingfabriek bij Dhaka, waar onder meer truien voor H&M werden geproduceerd. Daar brak een grote brand uit. Alleen doordat het vuur in de ochtend woedde, bleef de tol beperkt tot vier gewonden. De brandveiligheid bleek ernstig tekort te schieten. „H&M is het bedrijf dat de meeste kleren in Bangladesh laat maken, maar het blijft wat betreft de veiligheid achter bij andere bedrijven”, constateert Akter.

Plechtige beloftes

De regering van Bangladesh en veel westerse kledingbedrijven beloofden na de ramp plechtig dat ze de omstandigheden in de fabrieken ook in andere opzichten zouden helpen verbeteren. Desondanks is op dat front nog weinig gebeurd. Zorgwekkend is met name dat vakbonden nog altijd door regering en werkgevers worden tegengewerkt.

Volgens Akter heeft de regering, onder buitenlandse druk, enkele jaren geleden een luikje geopend voor de oprichting van vakbonden. Maar dat lijkt weer dicht te gaan. Het aantal nieuwe vakbondsregistraties neemt af. Ook is, in het kader van de terrorismebestrijding, een wet van kracht geworden die niet-gouvernementele organisaties, vakbonden incluis, meer aan banden legt. Akter: „Voor de arbeiders is het nog altijd te gevaarlijk om te staken. Wettelijk hebben ze daar ook nauwelijks het recht toe. Het kan alleen als je een actie 21 dagen van tevoren aankondigt. Soms worden werknemers in verband daarmee ook pardoes ontslagen, met name vakbondsleiders.”

De regering staat vakbonden toe in slechts ruim 300 van de 4.500 tot 9.000 kledingfabrieken – de schattingen lopen sterk uiteen. Die moeten hun activiteiten formeel tot die fabriek beperken. Akter: „In nog geen veertig van de fabrieken met bonden mogen die ook daadwerkelijk met werkgevers onderhandelen over de lonen en andere zaken. Veel vakbondsleiders worden bovendien ontslagen, zelfs als hun bond wel officieel is geregistreerd.”

Ministers bezitten fabrieken

Voor de bonden is het vaak vechten tegen de bierkaai. „Zelfs sommige ministers bezitten kledingfabrieken. Veel fabriekseigenaren zitten ook in het parlement. Die werken de vakbonden actief tegen op het terrein van de wetgeving. Ze bezitten bovendien kranten en andere media. Dus ook daar wordt het geluid van de bonden niet gehoord. De eigenaren hebben macht die wij niet hebben.”

De werkgevers proberen ook het minimumloon zo laag te houden – nu omgerekend 63 euro per maand - dat je er volgens de werknemers op geen stukken na een gezin van kunt onderhouden. De fabriekseigenaren betogen dat met een hoger loon de westerse afnemers zich tot andere landen met nog lagere lonen wenden.

„Dat is echt bullshit”, briest Akter. „De lonen zijn al zo laag, terwijl de winstmarges juist hoog zijn. Hoe kan het anders dat de eigenaren elk jaar weer grote nieuwe fabrieken laten bouwen? Het wordt bovendien tijd dat westerse bedrijven en consumenten ervan doordrongen raken dat je niet steeds de productie naar een ander land kunt verplaatsen. Dat is dodelijk voor de arbeiders. We moeten blijven vragen om banen met enige menselijke waardigheid.”