‘Bonden moeten transparanter zijn over dopingzaken’

Interview beleidsmedewerker Dopingautoriteit

Een openhartig boek van oud-wielrenner Thomas Dekker, een georganiseerde beerput in Rusland. Ondanks alle aandacht voor doping is er weinig bekend over de effectiviteit van de opsporing. “Ga eerst eens meten.”

Of het om een openhartig boek van oud-wielrenner Thomas Dekker gaat of om de georganiseerde beerput in Rusland, op elke onthulling over doping volgt een schok, gevoed door ongeloof over aard en omvang. Tegelijkertijd blijft het een onuitroeibaar kwaad. Dat inspireerde Olivier de Hon tot de vraag hoe effectief de strijd tegen doping feitelijk is. De wetenschappelijk beleidsmedewerker van de Dopingautoriteit vond geen helder antwoord, zelfs niet na zes jaar onderzoek, waarvan de resultaten zijn vervat in een proefschrift dat hij deze vrijdag op de Universiteit Utrecht verdedigt. Wat hem doet verzuchten: „Het wordt niet goed gemeten, dus weten we het niet.”

Lees ook over de biografie van Thomas Dekker: Mateloos talent trekt maten mee bij zuivering geweten

Verrichtte De Hon dan overbodig werk? Geenszins, vindt hij, want hij wierp een kardinale vraag op die dopinginstituten nooit stellen. Daarnaast leverde zijn onderzoek aanbevelingen over verbeteringen bij controles op. Wereldantidopingbureau WADA gebruikt volgens hem de term ‘effectiviteit’ te weinig. „Als er één sporter uit wordt gepikt, vinden sommige collega’s al dat er goed werk is geleverd. Dan functioneert het systeem. Ik zie dat anders. Het maakt nogal uit of één, tien of tienduizend sporters op doping worden betrapt.”

Zijn onderzoek leerde De Hon wel dat reëel dopinggebruik hoger ligt dan de cijfers weergeven. Naar schatting grijpt in Nederland zo’n 4 procent van de topsporters naar verboden middelen – in het buitenland soms 39 procent, zoals in Duitsland – terwijl in werkelijkheid minder dan 1 procent bij controles wordt gepakt. De Hon: „Dat vind ik onvoldoende. Dat percentage zou hoger moeten, helemaal als je weet dat een deel daarvan ook nog eens onbedoeld doping heeft gebruikt. Maar bewuste dopinggebruikers zijn met de huidige methodes moeilijk te traceren.”

Nieuw inzicht kan volgens De Hon verschaft worden als de internationale sportbonden bereid zijn hun databank van bloedwaarden te openbaren. Dat zou pas waardevol zijn, want dan kun je betere analyses maken, zegt De Hon. „De atletiekbond IAAF concludeert op basis van die informatie dat veertien procent van de atleten doping gebruikt. De zwembond FINA en de wielerbond UCI beschikken ook over dergelijke gegevens. Met name die van de wielrenners zijn interessant, omdat de UCI al vijftien jaar bloedwaarden verzamelt. Ik denk dat de wielerbond uit vrees voor negatieve publiciteit de gegevens achterhoudt. Ik heb die vrees niet. Als we er met z’n allen open over zijn, kunnen we met z’n allen ook het beleid in de gewenste richting sturen. Uiteindelijk win je met transparantie.”

De Hon schrok van zijn ontdekking dat zo’n 40 procent van de gestrafte sporters strafverlaging krijgt vanwege een verminderde schuld, onder andere door onbewust dopinggebruik. Dat geldt in hoge mate voor partydrugs die buiten competitieverband zijn ingenomen, maar ook voor vleeseters in Mexico of China met het gevaar van een te hoog clenbuterolgehalte. Bij die groepen is er iets misgegaan in de voorlichting. Nee, dat ligt niet aan de Dopingautoriteit, zegt hij. „Die praat, mailt en appt er op los. Maar dan moeten de sporters wel lezen”, klinkt het. „Wij balen van elke cannabiszaak, omdat we denken dat de sporter beter moet weten.”

Ander punt van aandacht is volgens De Hon de dopinglijst, die effectiever zou zijn bij een afstemming per sport. Mooi die harmonisatie, maar wat moet een handboogschutter of een curlingspeler met anabole steroïden of epo? De Hon bepleit maatwerk, met aparte dopinglijsten voor bal-, kracht-, duur-

en denksporten. Voor WADA, dat zijn proefschrift heeft ontvangen, vooralsnog een non-item, ervoer hij. Omdat ze volgens hem het voordeel niet zien, maar vooral wegens alle aandacht voor de zaak-Rusland.

Verfijning verdient in De Hons ogen ook de whereabouts, het systeem dat topsporters dwingt dagelijks hun verblijfadres op te geven voor de vliegende dopingcontroles. Daarmee is volgens hem de grens van de regelgeving wel zo’n beetje bereikt. Sporters accepteren die inbreuk op hun privacy zolang de tegenstanders gelijk behandeld worden. Maar geldt dat ook voor sporters in derdewereldlanden? Daarover bestaan grote twijfels. En, waarschuwt De Hon, hoe meer sporters zich ergeren aan het systeem van de whereabouts des te kritischer worden ze op het totale dopingbeleid. En medewerking van sporters aan het systeem blijft essentieel. Daarom pleit hij voor meer inspraak.

Bijna onbegrijpelijk vindt De Hon het negeren door veel dopingautoriteiten van de sportscholen, waar op grote schaal doping wordt gebruikt. Legaal, want fitnesscentra vallen buiten de dopingreglementen. Maar er kan wel van die wereld over gebruik van verboden middelen geleerd worden, zegt De Hon. Hoe werkt testosteron of anabole steroïden in de praktijk? Met die kennis kan dopinggebruik in de topsport beter geïnterpreteerd worden, redeneert hij.

De Hon kan de problematiek na zijn onderzoek beter doorgronden, dat wel, maar het zit hem dwars de effectiviteit van antidopingbeleid niet te kunnen bepalen. Daarvoor ontbreekt het aan cijfers. Zijn conclusie: er moet significant meer gemeten worden. De Hon: „We weten niet hoeveel sporters van doping worden afgehouden. Maar één ding weet ik zeker: ik ben nog niet klaar met dit onderwerp.”