Kunstenaar met bijbaan

Het is steeds moeilijker om te leven van kunst. NRC sprak drie kunstenaars die moeite hebben om rond te komen.

Het is een verbluffend cijfer in het deze week verschenen Cultuur in Beeld van het ministerie van OCW: tussen 2012 en 2015 is het aantal beeldend kunstenaars met 21 procent afgenomen, van 19.000 tot 15.000. Dat aantal was al, voor de bezuinigingen van het vorige kabinet, teruggelopen met 10 procent. Het lijkt erop dat duizenden geen heil meer zien in een toekomst als kunstenaar.

Het geldt niet voor alle disciplines. Het aantal acteurs, musici, dansers, zangers en andere kunstenaars bleef tot 2011 toenemen, met 14 procent. Gegevens over de jaren daarna zijn er nog niet. Maar de uitstroom lijkt laag, de toestroom vanuit de vakopleidingen is gestaag. Het gevolg is overaanbod. En dat leidt tot grote druk op de beloningen en andere arbeidsomstandigheden.

De helft van de mensen met een creatief beroep heeft nu een jaarinkomen dat lager is dan 30.000 euro, vaak door meerdere baantjes bij elkaar gebracht. Circa zestig procent van de kunstenaars werkt als zelfstandige, veel meer dan in andere beroepen. Het inkomen van die zelfstandigen is niet meer dan ruim 21.000 euro per jaar, bruto.

En: in de culturele en creatieve sector dáálde het aantal banen tussen 2010 en 2015 met 14,3 procent, terwijl dat in de hele economie groeide met 1,4 procent. Hoeveel kunstenaars stoppen met hun vak is onbekend. Het enige cijfer komt van het UWV, dat in een apart project 700 mensen uit de kunstsector heeft begeleid om een overstap te maken naar andere beroepen via coaching en opleidingen. Zo is een zakelijk leider van een theatergezelschap nu bloemist, dansers zijn fysiotherapeut of osteopaat, een acteur is digitaal ontwerper.

Een verkenning van de Sociaal-Economische Raad en de Raad voor Cultuur bracht eerder dit jaar al veel van deze trends naar boven. Minister Bussemaker stelde daarna twee keer een potje beschikbaar, maar die in totaal 2,5 miljoen euro zal niet de oplossing bieden. Ze gaf ook geld voor het opzetten van een honoreringsregeling, voor kunstenaars die exposeren in een museum of beeldende kunstinstelling. Nu krijgen zij daar vaak niets of heel weinig voor.

Deze week deed de scheidend voorzitter van de Raad voor Cultuur een oproep aan culturele instellingen om de culturele zzp’ers fatsoenlijk te betalen. Om dat mogelijk te maken moeten politici volgens hem de subsidies weer verhogen, naar schatting met ongeveer 15 miljoen euro.

Bob Fosko

1711culBOBFOSKO

De opname van zeven afleveringen Goede Tijden Slechte Tijden zit erop voor Bob Fosko (60). Bekend als voorman van de Raggende Manne, die in de jaren negentig teksten als ‘Zal ik jou eens lekker in de bek schijten’ de popzalen inschreeuwden. In GTST speelt hij een gastrol als aan lager wal geraakte bankier. „Natuurlijk heb ik dat werk voor het inkomen aangenomen. Het betaalt goed, afhankelijk hoe vaak je in een aflevering voorkomt. 500 euro per keer. Maar ik vond het leuker om te doen dan ik had gedacht. Het was ook een manier om te onderzoeken of ik deze weg moet inslaan. Ze mogen me zo weer bellen.”

Hij is somber, zegt Fosko (Geert Timmers). Hij voelt zich gestresst. Met zijn vrouw Vera (65), video-editor voor documentaires, komt hij met moeite nog aan een modaal inkomen. Samen. Vorig jaar was het slechts 16.000 euro. Het werk voor haar droogt op. Het moet nu van hem komen. „De schulden lopen op”, zegt hij.

In 1992 richtte hij met zijn vrouw een Vennootschap onder Firma op. „Om als zzp’er ons geld te verdienen.” In een topjaar haalden ze 170.000 euro. Bruto omzet. „Aan belastbaar inkomen hielden we niet veel over.”

Het was in de tijd dat Bob Fosko in musicals speelde. Na zijn debuut als Jake Elwood in The Blues Brothers werd hij gevraagd voor De Jantjes en daarna voor de rol van Dr. Doolittle in My Fair Lady. Dat leverde hem 7.000 tot 8.000 euro per maand op. „Het is wel heel zwaar, je speelt zo 220 voorstellingen in 8 maanden, 6 dagen per week sta je op het podium.”

Bob Fosko vertelt in het radioprogramma Groot op 5 over de musical My Fair Lady. (fragment op 49:15)

Na de crisis van 2008 nam het aantal musicals af. „En er moet ook maar net een rol zijn waar ik geschikt voor ben.” Ook het inspreken van radiocommercials – „Vier uur. Cup-a-Soup. Dat zouden meer mensen moeten doen!” – wordt minder. De concurrentie neemt toe, de verdiensten worden minder.

Ze zoeken vooral mooie mensen. Ik ben meer voor de karakterrollen.

Rollen in films of series – die zo’n 800 euro per draaidag opleveren, „maar dat staat onder druk”– heeft hij al een tijdje niet aangeboden gekregen. „Ze zoeken vooral mooie mensen. Ik ben meer voor de karakterrollen, dat zijn er minder.”

Zo teren Fosko en zijn vrouw in op de reserves die ze in de goede jaren aanlegden. Van muziekinkomsten heeft hij het nooit moeten hebben. Niet met de Raggende Manne. Niet met het hitje Gabbertje dat hij scoorde met gelegenheidsformatie Hakkûhbar. „Dat heeft me één keer 7.000 euro opgeleverd. Het was geschreven door iemand anders.” Fosko krijgt jaarlijks een afrekening van BumaStemra voor oudere nummers die gedraaid worden. Levert zo’n 250 tot 500 euro op.

Bekijk de videoclip van ‘Gabbertje’. De tekst gaat verder na de video.

Met de Raggende Manne doen ze af en toe een tournee. Ontvangen ze 2.000 tot 2.500 euro per optreden. Kosten voor vervoer, licht en geluid moeten daar vanaf. Elk bandlid houdt 200 tot 250 euro over. Exclusief BTW. „Voor een jong bandje zijn die tarieven nog veel lager, dus wij mogen niet eens klagen.”

Hij speelde in 2013 een rol in de succesvolle voorstelling Ontspoord van jeugdgezelschap De Toneelmakerij. Maar geld voor een reprise heeft dat gezelschap niet, nadat het in 2012 gekort werd op zijn subsidie. Als beeldend kunstenaar maakte hij 14 werken bij teksten van de Raggende Manne. Hij verkoopt ze, tegen kostprijs.

Fosko en zijn vrouwen denken er nu hard over hun huis in Frankrijk te verkopen, dat ze in 2003 van hun spaarcenten kochten. „Met pijn in het hart. Dat huis is onze pensioenvoorziening. Ik moet nog acht jaar werken.” Fosko weet dat hij het nog relatief goed heeft. „Ik kan dat huis verkopen, onze huur is laag, de kinderen zijn het huis uit. Ik heb een piano en accordeon. Ik mag niet mopperen.”


Inge Aanstoot

1711culAanstoot

Inge Aanstoot (29) won al twee prijzen met haar werk, de Piket Kunstprijs voor Schilderkunst (2014) en de Sacha Tanja Penning (2015). Uit het juryrapport van 2015: „Haar werken reflecteren op het nu. Ze zijn een doorkijkje in het leven van een persoon, misschien zelfs een generatie, die haar weg in deze wereld probeert te vinden. Haar werk is fascinerend.”

Erkenning, dus. Maar ook: geld. De eerste prijs was goed voor 8.000 euro, de tweede voor 10.000. „Voor mij is dat samen ongeveer anderhalf jaarinkomen.”

Inge Aanstoot studeerde af in 2009. „Toen kregen we al mee: werk hard, hoop niet te veel, het wordt vast moeilijk.” Een wijze les, behalve dat er op de academie geen onderricht was geweest in hoe je dat dan financieel moest organiseren. „Ik weet nog steeds niet hoe je een subsidie aanvraagt, haha.”

Je moet een bepaalde rust hebben, de tijd om fouten te maken ook.

Maar goed, ze woonde antikraak, dat scheelde. En ze had een baantje, als verkoopster bij De Tuinen. Het liefst stond ze op zondag in de winkel, want die dag telde dubbel. Maar één dag werd twee dagen, toen werden het er drie, daarna vier. „Dus toen ik een prijs kreeg was het eerste wat ik deed: zeggen dat ik minder kwam werken.” Na de tweede prijs nam ze ontslag. Het verschil: „Als ik nu een goed idee heb kan ik doorwerken. En als ik het dan even niet meer weet, kan ik een beetje klooien tot het wel weer gaat. Het is geen machinewerk, hè. Je moet een bepaalde rust hebben, de tijd om fouten te maken ook. Als je weet dat je de volgende ochtend vroeg weer moet werken, heb je die rust niet.”

Ze maakt groot werk, soms meten de doeken twee bij drie meter. „Mensen zeiden: maak ze wat kleiner, dat verkoopt beter, dan kan het boven de bank. En ja, dat is een verleiding, al heb ik er niet aan toegegeven.” Een andere verleiding: „Dat je je een maniertje aanwent, omdat je geen gelegenheid meer hebt om te experimenteren.”

Zelf zou ze haar werk niet kunnen betalen. „De eerste keer dat ik exposeerde, kwam de galeriehouder op 1.750 euro, voor een werk van 1,80 bij 1,50. Dat vond ik absurd veel. Maar hij legde uit: de prijs is lengte maal breedte maal factor, waarbij factor staat voor je ervaring en of gewonnen prijzen. Als je het terugrekende, kwam je voor een maand werk uit op 800 euro.”

Bekijk de schilderijen van Inge Aanstoot op haar website

Nu doen haar doeken 7.000 euro. „En ik krijg hanggeld, als het ergens wordt geëxposeerd.” Waarna collega’s zeggen: goh, dat je daarvoor betaald krijgt. „Het is soms andersom hè, dat je moet betalen om ergens te mogen hangen. Best schrijnend, toch?”

Anne Rodermond

1711culRodemond

Anne Rodermond (38) had nog één expositie, dit voorjaar, in Den Haag. Toen was het op. Hij kon zo niet verder, wist hij, nergens zat ontwikkeling in. Niet in zijn baantjes, niet in zijn kunstenaarschap. „Het werd tijd om een keuze te maken.”

Nu werkt Anne Rodermond als manager van een homoclub, „fulltime, in plaats van als bijbaan”. Hij kan er, dat dan weer wel, veel van zijn ideeën en zijn creativiteit in kwijt. En: bij Club Church in Amsterdam verdient hij „beduidend meer” dan de afgelopen tien, vijftien jaar, toen hij moest rondkomen van „niet meer dan zevenhonderd, hooguit duizend euro netto per maand”.

Anne Rodermond is beeldend kunstenaar. In 2002 studeerde hij af aan de Rietveld Academie. Wat hij zich voorstelde: „Ik had een prestige-opleiding gehad en ik wilde één van de allerbeste beeldend kunstenaars van nu worden. Als je goed bent komt daar vanzelf succes uit voort: dat geloof had ik. Je gelooft ook dat er plek is voor wat je schept. En je staat achter wat je maakt, dat kan niet anders.”

Maar zo liep het dus niet. Hij merkte al meteen: „Als kunstenaar ben je ook een bedrijfje, je moet van alles regelen: exposities, werkplek. En daarvoor moet er geld binnenkomen.”

Heel eerlijk: ik heb wel eens een traantje weggepinkt

Hij ging erbij werken: kostuums maken bij filmproducties, aan de balie bij een pornotheek („Dat was ’s avonds, dan kon ik overdag mijn echte werk doen”), workshops die aansloten bij zijn kunstenaarschap. Hij stond in winkels, in restaurants, in kroegen.

Soms had hij een paar baantjes tegelijk. „Heel eerlijk: ik heb wel eens een traantje weggepinkt, als ik weer een paar rotcenten zat te verdienen voor een atelier waar ik geen tijd had om naartoe te gaan. Of waar ik te moe voor was, als ik thuiskwam na het derde baantje van de week.”

En toen ging de huur van dat atelier ook nog een paar keer omhoog terwijl, na de komst van de crisis, de subsidies voor de workshops die hij gaf wegvielen. Wat er dan gebeurt: „Je probeert met alle koppigheid die je hebt vast te houden aan je overtuigingen. Dat was míjn realiteit. Maar dat was niet het realiteit van de samenleving.” En daar kwam langzaamaan bij: „Kunstenaars zijn ook gewone mensen, die wel eens met vakantie willen, die een huis hebben, een partner.”

Toen kwam de baan voorbij die hij nu heeft. „Ik kon zo niet verder. Dus heb ik afscheid genomen van wat mij het dierbaarst was.”