Column

De bacchantische razernij van de freule

Foto Stadsarchief Amsterdam

In de schemerige zalen van het Stadsarchief van Amsterdam, word ik bedwelmd door foto’s van vroeger, op de expositie Amsterdam 1900. De Keizersgracht in de sneeuw. De inhuldiging van koningin Wilhelmina. Veel foto’s zijn gecomponeerd als schilderijen, alles en iedereen is keurig op zijn plaats gezet. Maar de schilder Breitner lijfde de fotografie in. Zijn foto’s zijn schilderachtig en zijn schilderijen werden foto-achtig. Sommige van zijn schilderijen zijn bijna snapshots, met beweging die bevriest in een compositie die toevallig lijkt. Zijn foto’s van paardentrampaarden doen me het meest. Hij voelt voor ze, herkent iets in ze. Hij is een verre overopa van de hedendaagse fotografe Charlotte Dumas, met haar roerende en toch onsentimentele foto’s van paarden, honden, wolven. Die dieren beschouwt ze als persoonlijkheden, in een eigen wereld – kijk er als mens naar en je ziet aliens. Ook Breitner zag dat.

In het fin de siècle was op de foto gaan nog iets bijzonders. Vrouwen houden hun hoed of hun schort (en hun hart) vast. De werkman oogt zelfverzekerd. Ze kijken onbevangen de lens in. Wat gebeurt daar? De foto’s zijn onweerstaanbaar, ook omdat ze beweren dat de jaren rond 1900 misschien armelijk maar toch idyllisch waren.

En dan krijg ik de roman Fokel in handen. In 1898 geschreven door Manuel van Loghem. Opnieuw uitgegeven door uitgeverij Astoria, op aanwijzing van de Nederlandse fin de siècle-specialist Sander Bink. Het is het eerste deel van een serie waarvoor hij romans uit de tijd van Louis Couperus opduikt. Die is onovertroffen, zegt hij, maar dat betekent niet dat er verder niks goeds geschreven werd. „Lees dit vooral.” Oké, doe ik.

Fokel is inderdaad een couperisch boek, over een Friese freule in Amsterdam die belandt in een staat van „bacchantische razernij”. En die Huysmans leest, zegt decadentisme-hartstochteling Sander Bink enthousiast. Dat doet ze, maar ik zie nog iets anders. Deze freule is een voorloper van de geruchtmakende Lady Chatterley die D. H. Lawrence 30 jaar later schiep. Haar sensualiteit wordt tomeloos sinds ze de fysieke schoonheid van een knecht heeft beseft. Net als Lady Chatterley raakt ze daar fataal van in de war. De hel breekt los, vileiner dan bij Couperus. En wat betreft onderdrukte geilheid legt zelfs Lady Chatterley het tegen haar af.

In Fokel lees ik hoe keihard de wereld rond 1900 was. Geperverteerd door moralisme, verziekt door de snoeiharde scheiding van de klassen. Ik leg de roman Fokel over de foto’s van Breitner. Zo krijg ik 1900 in 3D.