Cultuur

Interview

Interview

‘Mode was de veilige weg’

Pat Cleveland (66) is een van de beroemdste modellen van haar generatie. Door haar lichtgetinte huid en krullen deelde Vogue haar in bij de zwarte modellen. ‘Mijn moeder was een getalenteerde kunstenaar, maar had in New York als zwarte vrouw zeer beperkte kansen. Ik had wél mogelijkheden, en die heb ik gebruikt.’

In een hoek van de ruimte in hotel The Dylan die is gereserveerd voor het interview hangt een plankje met drie boeken erop. Pat Cleveland (op naaldhakken, met een grijze hoed op en in een Japanse outfit uit de Amsterdamse designerwinkel van haar Nederlandse schoonzus Gerda van Ravenstein) loopt ernaartoe en bladert wat door een boek over Dior. Aan de manier waarop ze daar staat, ontspannen maar kaarsrecht en zich duidelijk bewust van het feit dat ze wordt bekeken, zie je meteen dat poseren haar tweede natuur is.

Pat Cleveland, officieel Patricia, is een van de beroemdste modellen van haar generatie. Ze liep in de jaren zeventig en tachtig shows voor Yves Saint Laurent en Thierry Mugler, en was een van de Halstonettes, de muzes van de legendarische Amerikaanse ontwerper Halston. Ze werd gefotografeerd door Richard Avedon, Irving Penn, Bert Stern en Bruce Weber. Ze viel op vanwege haar uitgesproken, smalle gezicht met een voor een model lange neus, en de expressieve manier waarop ze over de catwalk liep; dansend, of achteroverleunend met de dramatische armgebaren van een operaster.

Op de catwalk lóópt, moet dat eigenlijk zijn, want op haar 66ste wordt Cleveland nog steeds regelmatig gevraagd. „Magisch”, noemde ontwerper Diane von Furstenberg die manier van lopen onlangs nog in The New York Times. Vaak is ze te zien met haar dochter Anna (27), die sprekend op haar lijkt en als model de achternaam van haar moeder gebruikt. Toen Anna dertien was, liepen ze in een show van Chanel. Ze waren samen gezichten van Lanvin, en dit najaar zijn ze de sterren van de campagne van het Amerikaanse warenhuis Neiman Marcus.

Cleveland woont met haar man, fotograaf Paul van Ravenstein (59), in het huis in New Jersey waar ze jarenlang voor haar dementerende moeder zorgde, die vorig jaar overleed. Cleveland en Van Ravenstein zijn een dag in Amsterdam voor de promotie van haar boek Walking with the Muses, over haar jeugd in Harlem en de eerste, wilde jaren als model – hard werken, lange nachten in het gezelschap van legendes als Karl Lagerfeld en Andy Warhol. Het boek eindigt in 1983, met een vakantie met Van Ravenstein, haar tweede echtgenoot. Ze had hem ontmoet via een andere zus van hem, topmodel Apollonia.

Clevelands vader was een Zweedse jazzmuzikant die nog voor haar geboorte uit het zicht was. Haar moeder verdiende de kost met het beschilderen van billboards, het maken van ‘ondeugende stropdassen’ en als verpleeghulp. Zij was de dochter van een Afro-Amerikaanse vrouw en een man van Iers-Indiaanse afkomst.

Met haar lichtgetinte huid en krullen werd Cleveland, die op haar veertiende in de metro werd aangesproken door een redacteur van Vogue, ingedeeld bij de zwarte modellen. „Ik ben niet wit, ik ben niet zwart, maar als ze willen dat ik zwart ben, dan ben ik dat”, zegt ze. Haar eerste grote opdracht kreeg ze toen ze net zestien was: twee maanden op tournee met de Ebony Fashion Fair, het reizende modecircus van Ebony, een glossy voor zwarte Amerikenen.

Cleveland: „Zwarte mensen moesten een eigen wereld creëren omdat ze niet werden toegelaten in de andere wereld. Mevrouw Johnson, die de shows organiseerde, was aanvankelijk ook niet welkom bij de haute-coutureshows in Parijs, maar ze was dankzij haar echtgenoot zó rijk dat ze complete collecties opkocht. De Ebony Fashion Fair gaf zwarte vrouwen de kans couture van dichtbij te zien.”

U beschrijft een aantal racistische incidenten in het zuiden tijdens de tournee: geweigerd worden in een restaurant, mannen met geweren die jullie vervolgens achterna gaan, bekogeld worden met stenen.

„Ik had als kind zulke dingen al meegemaakt, toen ik in Georgia op familiebezoek was. Mijn overgrootmoeder werd geboren als slaaf. Mijn moeder was een getalenteerde kunstenaar, maar had in New York als zwarte vrouw zeer beperkte kansen. Ik had wel mogelijkheden, en die heb ik gebruikt.”

Was het lastig de overstap te maken van Ebony naar Vogue en Harper’s Bazaar?

„Ik begon in de tijd dat de girl next door populair was – meisjes met blond haar en blauwe ogen. Met iemand als ik was het: ‘Wat doen we daarmee?’ De manier waarop ik de kleren kan showen hielp. En ik gaf niet op. Ik dacht: mijn familie heeft genoeg tegenslag gehad.”

Is het nu gemakkelijker geworden?

„Als ik samen met Anna word geboekt wel. Maar verder is het nog steeds: gebruiken we de blonde vrouw of de ‘ik weet eigenlijk niet wat het is’-vrouw? Ik denk dat het nooit fifty/fifty wordt. Er worden alleen veel donkere en Aziatische modellen gebruikt als er een economische reden voor is, als er bijvoorbeeld een winkel wordt geopend in China of Afrika.”

Het gaat in uw boek veel over mannen, vaak beroemde. Het begint zelfs met een van hen, Warren Beatty; hoe u hem als meisje in een film zag, en later een verhouding met hem kreeg. En dan zijn er Ryan O’Neill, Muhammed Ali, Jack Nicholson, Mick Jagger…

Paul van Ravenstein, die is meegekomen naar het interview, zegt droog: „Er staan een heleboel mannen in.” Cleveland: „We hebben het erover gehad. Ik zei: je kan bij me weggaan als het boek klaar is, maar hij ging niet weg.” Van Ravenstein: „Ik wist nog niet alles, en zij wist ook niet alles van mij. Maar we zijn niet samen vanwege ons verleden.”

Ik proef trots op die veroveringen.

Cleveland: „Natuurlijk! Je kijkt als elfjarige naar een film en je denkt: ‘Iemand als hij wil ik later hebben.’ En dan komt hij in je leven en zit achter jóu aan! Acteurs en muzikanten zijn ook de mannen die je tegenkomt als model. En ze begrijpen de modewereld: het homoleven, de travestieten, de kleding. Als meisje krijg je vaak te horen: je moet met een dokter trouwen.’ Ik heb er een paar gehad, maar dat was het niet.”

Het viel me op hoe precies u gebeurtenissen, outfits en gesprekken beschrijft. Hoe is het mogelijk dat u zich al die dingen zo goed kunt herinneren? Heeft u een dagboek bijgehouden?

„Ja. Het begon met tekeningen. Ik dacht dat ik net als mijn moeder kunstenaar zou worden, maar ik kreeg last van de terpentine. En op een gegeven moment schreef ik het woord ‘Love’ op en is het tekst geworden. Ik riep in 1970 al dat ik nog eens een boek zou schrijven.”

U beschrijft ook de enige keer dat u uw vader ontmoette. U was pas twee jaar oud. Herinnert u zich dat echt nog?

„Oh ja, ik herinner me dat ik op zijn knie zat, ik herinner me zijn dunne benen en zijn blauwe pak – mannen droegen in de jaren vijftig gekleurde pakken. Hij was rustig, maar lachte ook. Hij had donkerblond haar, maar zijn gezicht kan ik me niet meer voor de geest halen. Ik weet niet eens of hij nog op deze planeet rondloopt. Als je een ouder hebt die je niet kent, blijf je altijd iets missen. Hij is mijn grote zoektocht. Toen ik eens in Zweden was, heb ik een telefoonboek doorgeploegd, maar ik weet niet eens hoe zijn achternaam gespeld wordt. Bij elke show waarin ik loop, elk tv-programma waarin ik zit denk ik: ‘Hier ben ik, zie je mij?”

Neemt u hem kwalijk dat hij nooit meer contact heeft gezocht?

„Waarom zou ik? Ik bén hem! En ik heb zoveel andere goede dingen in mijn leven gehad. Ik had een artistieke moeder die van elke dag een feest maakte.”

Tot ze een nieuwe man ontmoette.

„Het was raar om met een man in huis te zijn die niet mijn vader was. Sonny deed vreselijke dingen. Hij was gewelddadig tegen mijn moeder en sliep met een geweer onder zijn kussen. Toen mijn moeder later een keer bij mij op bezoek in Europa was, gaf hij haar spullen weg aan andere vrouwen. Hij had elf kinderen over de hele wereld. Maar ik begrijp hoe hij zo was geworden: hij was een arme jongen uit het zuiden die heel jong het leger in was gegaan.”

In uw boek beschrijft u hoe hij u aanrandde in uw eigen kamer. Heeft u dat ooit aan uw moeder verteld?

Absolutely not! Ik wilde niet stoken. En ik wilde haar het gevoel geven dat ze verstandig was, al was ze dat niet. Ik dacht wel altijd: als ik het huis uitga, neem ik haar mee. Zo is het niet gegaan. Ze zijn bij elkaar gebleven tot aan zijn dood in 2000.”

Uit uw boek blijkt dat het modellenleven niet altijd gemakkelijk is.

„Als model is je koffer je huis. Je bent veel alleen, het reizen is zwaar. En het gaat alleen om schoonheid en fabulousness. Maar als er geen mode was geweest, wie weet wat er van me was geworden? Ik had de muziek in kunnen gaan. Giorgio Gomelsky, de ontdekker van de Rolling Stones, zag me een keer dansen in een club. Toen ik hem vertelde dat ik liedjes schreef, wilde hij me meenemen naar Londen. Mijn moeder wilde me niet laten gaan. Godzijdank, ik was zestien! Muziek was heroïne en donker en anders. Mode was de veilige weg.”

Wat vindt u ervan dat uw dochter ook model is geworden?

„Ze is slim en wil graag filosoof zijn. Maar ze is opgegroeid met mode; als kind liep ze al rond met de plastic hakken die ik voor haar kocht en hoeden van Karl Lagerfeld. Ik vind: als de mogelijkheid voorbijkomt om model te worden, moet je het doen. Je krijgt maar eens de kans zo te bloeien.”