‘Geef meisjes een zet in de goede richting’

Vrouwen in techniek

Het percentage vrouwen dat een technische studie doet, is in Nederland nog altijd extreem laag. Waar ligt dat aan? „Meisjes hebben meer steun en feedback nodig dan jongens.”

Van links naar rechts: Jeannet Sondag-Huethorst, Preethi Pradha Elavarasu en Tamara Druzhinina, alledrie werkzaam bij chipmachinebouwer ASML. Foto Floren van Olden

Exacte vakken, moet je daar talent voor hebben? De uit Zuid-India afkomstige ingenieur Preethi Pradha Elavarasu (27) had er nog nooit bij stilgestaan. Altijd gedacht dat het gaat om hard werken. Dat deed ze onder meer tijdens haar master aan de Technische Universiteit van Delft: haar Nederlandse medestudenten maakten het zichzelf gemakkelijk en bleven weleens weg, Elavarasu miste geen enkel college en had altijd alles goed voorbereid. Voor haar was het erop of eronder. Als student van buiten de EU moest ze namelijk ook nog eens 13.000 euro collegegeld betalen. „Thuis heb ik geleerd dat je net een stapje verder moet zetten dan je al aankunt”, zegt ze.

Nu werkt ze bij de hoogtechnologische chipmachinebouwer ASML in Veldhoven als tester van software. ASML is sinds de oprichting van een klein bedrijf in 1984 met 100 man personeel, geëxpandeerd tot een industriepark met 15.500 werknemers wereldwijd. Inmiddels heeft het een hoofdkantoor in het aan Eindhoven vastgegroeide Veldhoven. Op het omliggende bedrijvencomplex worden machines ontworpen en geproduceerd. Onder de medewerkers wordt overwegend Engels gesproken: zo’n 20 procent van de werknemers heeft niet de Nederlandse nationaliteit.

Ondanks de moeite die ASML doet om meer vrouwen aan te trekken – bijvoorbeeld door deel te nemen aan de nationale Girlsday in april – is het aandeel vrouwelijke werknemers slechts 13 procent. Van de vrouwelijke ingenieurs die er in onderzoek en ontwikkeling werken, komt meer dan de helft uit het buitenland.

Het gaat nog steeds niet goed met het vrouwelijk aandeel in de techniek in Nederland: volgens het CBS heeft slechts 4 procent van de hoogopgeleide Nederlandse vrouwen tussen 25 en 35 jaar een technische opleiding afgerond, tegenover 16 procent van de mannen. En zelfs als vrouwen klaar zijn met hun technische studie, zoeken ze meestal een niet-technisch beroep. Slechts 29 procent begint een carrière in de techniek.

Met 3 procent van alle hoogopgeleide vrouwen in de techniek hangt Nederland in de EU nog helemaal onderaan, alle kies-exact-campagnes van de overheid ten spijt. Waar ligt dat aan? Drie vrouwelijke ASML-ingenieurs geven antwoord op die vraag: de Zuid-Indiase Preethi Pradha Elavarasu, de uit Moskou afkomstige fundamenteel onderzoekster Tamara Druzhinina (36) en de Nederlandse manager van een onderzoeksafdeling, gepromoveerd fysisch chemicus Jeannet Sondag-Huethorst (52).

Traditionele rol

Sondag-Huethorst denkt dat het Nederlandse tekort aan vrouwen vooral te wijten is aan de protestantse en katholieke religieuze zuilen van vroeger, waarin vrouwen een traditionele rol was toebedeeld. Zij zelf werd een handje geholpen omdat ze naar een voormalig katholieke jongensschool ging, die net gemengd was geworden. Behalve handwerken kreeg ze daar ook techniek. Van huis uit was ze er bekend mee: haar ouders runden een melkveehouderij in de Achterhoek, waar haar moeder ook technische taken op zich nam. „De schroevendraaiers lagen in de keuken”, zegt Sondag-Huethorst. Later raakte ze geboeid door wiskunde en scheikunde.

Ze studeerde aan de HTS Twente en later aan de Universiteit Wageningen. Door stages bij Philips en chemiebedrijf Dow Chemical in Duitsland raakte ze meer en meer geïnteresseerd in techniek. „Je wil de achtergrond kennen, weten hoe het echt zit.” Nu leidt ze de onderzoeksafdeling in de toepassing van lithografiemachines die chips produceren. Daar zijn wiskunde, fysica en big data bij nodig. Ze vindt het geweldig om twee jaar na een uitvinding al een nieuw product te kunnen maken. Ze wil graag in de techniek werkzaam blijven. „Goede voorbeelden zijn belangrijk voor vrouwen”, zegt ze. Maar die zijn er in Nederland nog niet zoveel.

De Indiase Elvarasu zegt dat ze geluk had dat haar ouders, beiden tandarts, haar naar school stuurden en vervolgens naar het hoger onderwijs. In haar geboortestreek, de Indiase deelstaat Tamil Nadu, kon een goede opleiding het verschil betekenen tussen wel of geen elektriciteit in huis. Onderwijs was niet vanzelfsprekend. „Als je die kans krijgt, is dat bijzonder. Ik dacht daarom bij mezelf: wat er ook van me gevraagd wordt, ik ga het doen.”

In India werken veel jonge vrouwen in de software. Bedrijven stimuleren dit door ze met de bus op te halen en weer thuis te brengen. Zo weten de ouders dat ze veilig zijn. Hoewel er werk genoeg was, wilde Elvarasu graag naar het buitenland. Na haar technische bachelor aan een Indiase technische universiteit ging ze naar Delft.

Lees ook hoe vrouwen elkaar kunnen versterken op de werkvloer: Wat zij zegt, dat is echt een goed idee

Druzhinina is als technische vrouw voor Russische begrippen geen voortrekker. Vrouwelijke ingenieurs en bèta’s zijn daar al een eeuw ingeburgerd. Sinds de Russische revolutie in 1917 doen vrouwen al zwaar lichamelijk werk in bijvoorbeeld fabrieken en in de bouw. Door de hoge sterfte onder mannen in de twee wereldoorlogen, waren vrouwen bovendien hard nodig in wat eerst mannenberoepen waren. In Nederland sneuvelden maar weinig soldaten. Daarom kwamen vrouwen pas in de jaren negentig in een emancipatiegolf massaal op de arbeidsmarkt terecht. In Rusland waren ze toen al een halve eeuw ingenieur, architect of vliegtuigbouwer.

Druzhinina’s grootmoeder was hoogleraar scheikunde. In de fundamentele natuurkunde, waar Druzhinina zich in specialiseerde, zijn vrouwen schaarser. In Eindhoven promoveerde ze in de chemische techniek: ze ontwikkelde een goedkope manier om een nanobuisje voor een chip (elektronisch circuit) te produceren. Nog steeds is ze uitvinder. Regelmatig hebben zij en haar team nieuwe patenten.

Druzhinina denkt dat een carrière van vrouwen in de techniek door „drie pilaren” wordt gesteund: persoonlijk, cultureel en maatschappelijk. Persoonlijk gaat het om het stimuleren van motivatie: dat je datgene gaat doen wat je zélf wil doen. „Maar dan nog kiezen weinig vrouwen voor de techniek”, denkt ze. Wat ouders zeggen en wat leraren doen, de culturele pilaar, is daarom misschien wel net zo belangrijk. „Meisjes hebben meer steun en feedback nodig dan jongens. Als meisjes matig presteren, zeggen ze dat ze het dan maar niet gaan doen, terwijl jongens er gewoon induiken. Meisjes moeten echt gemotiveerd worden, hoe meer hoe beter.

Vandaar dat de Russische wel iets ziet in aparte meisjesscholen, waar leraren gerichter kunnen motiveren. En hoewel men dit in Nederland misschien stigmatiserend kan vinden, is ze er ook niet op tegen om vroegere vrouwenrollen in de techniek om te zetten. Te denken valt aan schoonmaakrobots, bijvoorbeeld. „Een script maken en dat uitvoeren, dat is gewoon mooi werk”, zegt ze.

Te dure kinderopvang

En dan is er nog – nummer drie – steun van de overheid nodig. Die is Rusland veel groter dan in Nederland, zegt Druzhinina. Neem de gesubsidieerde kindercrèches, die tot laat in de avond open zijn. En ook de familie helpt mee in huis. In Nederland zeggen vrouwen hun baan op omdat kinderopvang te duur is. Dat is een probleem: „In banen waar kennis up to date moet zijn, kun je niet makkelijk terugkomen, als je eenmaal bent vertrokken.”

Alle drie de ingenieurs doen mee aan de jaarlijkse Girlsday, een landelijk initiatief om meisjes tussen 10 en 15 jaar enthousiast te maken voor bèta en techniek. Afgelopen jaar schreven ruim 350 bedrijven en 10.000 meisjes zich in. Bij ASML krijgen zij een programma voorgeschoteld waarin ze onder meer kunnen prutsen aan apparaten en schrijven met driedimensionale pennen. Of make-up ontwikkelen. „Geef een meisje van die leeftijd dat talent heeft een zet in de goede richting”, zegt Elavarasu.