Bevers verwoesten Vuurland – 150.000 moeten er dood

Zuid-Amerika

In de zuidpunt van Chili en Argentinië vernielen bevers hele bossen. De plaag is zo groot, dat er consensus is: ze worden afgeschoten.

Een beverdam in Ushuaia, in het zuiden van Argentinië. Foto Getty

Hoe komt het meest zuidelijk bewoonde gebied ter wereld zo snel mogelijk van 150.000 bevers af? Door ze systematisch te gaan afschieten, vallen te zetten en te zorgen dat de populatie zich niet verder verspreidt.

Dat is de controversiële beslissing die de autoriteiten van Vuurland, de archipel in het zuidelijkste puntje van Chili en Argentinië, hebben genomen. Ze hebben steun van milieuorganisaties, de lokale bevolking en de VN, die deze drastische maatregel als de laatste oplossing zien om de oorspronkelijke bossen te redden van de ondergang.

Dat wordt, vanwege het hoge aantal, niet eenvoudig. De beesten verspreidden zich razendsnel over de eilandengroep en kauwen daar op grote schaal de bomen om. Daarmee bouwen ze dammen die de stromingen van de rivieren permanent verleggen, om zo plekken te creëren waar eetbare planten kunnen groeien. De knaagdieren verwoesten houten bruggen, verstoppen de riolen en vormen een bedreiging voor het drinkwater: door te ontlasten in het water verspreiden ze ziektes over de hele archipel.

Bominslag op de lokale natuur

De situatie is alarmerend. Door toedoen van de bevers verdween in de afgelopen decennia een oppervlakte aan bos vergelijkbaar met twee keer de stad Buenos Aires (3 miljoen inwoners). In Canada, waar ze op grote schaal voorkomen, vormt dat geen probleem. De bomen die daar voorkomen, zoals wilgen en populieren, zijn evolutionair gewend aan geknaag en groeien in korte tijd terug. Op het zuidelijk halfrond groeien vooral bomen van het Nothofagus-geslacht, die er tot 100 jaar over doen terug te groeien.

Het gevolg: de invloed van de bevers op de lokale natuur van Vuurland is vergelijkbaar met een bominslag, aldus bioloog Adrián Schiavini tegen de Spaanse krant El País. „Toen ik het zag deed het me denken aan Polen in de Tweede Wereldoorlog, waar alle grote bossen waren gebombardeerd en platgebrand”, zegt natuurwetenschapper Claudio Bertonatti in de vorig jaar uitgekomen documentaire Bevers: de invasie van het einde van de wereld, van de Argentijnse makers Pablo Chehebar en Nicolás Iacouzzi. „Maar wat daar is gebeurd, is de bever.”

Dat deze kwestie zulke nijpende vormen heeft aangenomen, is opmerkelijk. De bever is een invasieve exoot, die van nature niet voorkomt in het gebied, maar daar uitstekend gedijt. In 1946 importeerde de Argentijnse marine twintig exemplaren uit Canada, met als doel de plaatselijke bontindustrie – die opbloeide in de meer stedelijke gebieden van het land – een impuls te geven en de lokale bevolking van werk te voorzien. Om de populatie te beschermen, werd een jachtverbod afgekondigd dat 35 jaar zou standhouden.

Het eerste plan tot actie tegen de bevers stamt uit 1999, bijna twintig jaar later is een actieve strijd tegen de bevers onvermijdelijk. Dat gebeurt volgens bioloog Schiavini door het inzetten van „humane vallen” die de bevers „snel en effectief” moeten doden.

Ook worden jagers uit Canada ingevlogen, want die zijn op Vuureiland niet uit het juiste hout gesneden. In de woorden van boswachter Daniel Ramos: „Wij hebben geen mensen die maanden de bossen in gaan om te jagen, die bereid zijn daarvoor te lijden. Wij willen ze alleen maar afschieten vanuit ons eigen raam.”