Recensie

Abou Jahjahs strijd tegen de elites

Recensie Dyab Abou Jahjah strijdt met zijn pamflet Pleidooi voor radicalisering tegen de elite, maar maakt niet expliciet wie hij daarmee bedoelt.

‘Dit boek werd aangevallen, voordat het gepubliceerd werd’, zo meldt de Libanees-Belgische activist en columnist Dyab Abou Jahjah in het voorwoord tot zijn pamflet Pleidooi voor radicalisering. Die protesten klonken indertijd in reactie op de juichende berichten vanuit zijn uitgeverij dat er een uitgeefcontract met hem was gesloten. Laten we het erop houden dat er om uiteenlopende redenen door velen naar publicatie van dit boek is uitgezien. De vraag is of al die vroegtijdige opwinding, compleet met opstandige Bezige Bij-auteurs, terecht is geweest.

Een goed pamflet is als een vliegreis. Eerst taxiën (waarbij het vertrekterrein in beeld komt en er de nodige informatie wordt verstrekt), vervolgens op de startbaan het gaspedaal intrappen, waarna het betoog vleugels moet krijgen in de richting waarin de auteur zijn lezers hebben wil. Uiteindelijk dienen die lezers ook weer ergens op de grond uit te komen en – inmiddels overtuigd van het gelijk van de auteur – te weten hoe het nu verder moet.

Het pamflet Pleidooi voor radicalisering houdt zich tamelijk nauwkeurig aan deze indeling. In hoofdstuk 1 en 2 tracht Abou Jahjah het begrip ‘radicalisme’ te duiden, ook in zijn historische context. Nuttig is dat hij dat begrip onderscheidt van ‘extremisme’, waarmee het ten onrechte wel wordt verward. Naast ‘destructief radicalisme’ is er volgens Abou Jahjah ook zoiets als ‘constructief radicalisme’. Dat laatste is waar hij ons in mee wil hebben, geholpen door de rugwind van een mondiale crisis die dit constructief radicalisme van – wat hij noemt – de benodigde ‘intuïtieve relevantie’ kan voorzien.

Niet kapitaal, macht is de sleutelfactor

In de hoofdstukken 3 en 4 wordt het klassieke marxistisch-leninistische gedachtengoed door de auteur geactualiseerd tot een theorie over hoe de klassenstrijd er aan het begin van de eenentwintigste eeuw uit zou kunnen zien, en hoe de bestaande kapitalistische systemen omvergeworpen zouden kunnen worden. Dit is het meest concrete en onderbouwde deel van het boek, met onder meer een indeling van de wereldbevolking in geglobaliseerde klassen. Die indeling doet sterk denken aan de demografische duiding van de uitslag van het Brexit-referendum en de electorale overwinning van Donald Trump. Hoewel die classificatie uitgaat van inkomensniveaus vormt voor Abou Jahjah niet kapitaal maar macht de sleutelfactor. De innerlijke tegenstrijdigheden van de kapitalistische ‘machtssystemen’, gecombineerd met een tijdelijke economische crisis, behoeven slechts een krachtig nieuw idee om ‘een massale radicale beweging’ op gang te brengen. Zo kan, aldus de auteur, het door de Westerse hegemonie gecorrumpeerde nationale burgerschap plaatsmaken voor een ware mondiale identiteit. Op dit punt van het betoog zijn wij zogezegd aan het einde van de startbaan gekomen.

Het nieuwe gedachtengoed dat nodig is voor de paradigmawisseling van deze ‘revolutionaire cyclus’ wordt in de hoofdstukken 5 en 6 gepresenteerd. De mondiale identiteit die burgers zich volgens Abou Jahjah, na hun bevrijding van de macht der onderdrukkende elites, zouden moeten aanmeten, moet zich voeden met het fenomeen van de ‘commons’: de vrije en virtuele systemen zoals Facebook, Wikipedia, Uber, Airbnb. Allemaal peer-to-peerplatforms, waarvan de auteur meent: hoe subversiever en efficiënter ze zijn, des te meer ze als bevrijding uitwerken. Uiteindelijk, zo luidt de tussenconclusie op bladzijde 127, zal de doorbraak van dergelijke commons-systemen niet alleen een waarlijk mondiale economie vestigen, maar ook een mondiale identiteit en dito gemeenschap.

Wie die ‘elites’ zijn, zegt hij nergens

Vanuit de hoogte van dit toekomstvisioen daalt het betoog vervolgens weer neer in twee korte slothoofdstukken (7 en 8), met het pleidooi voor radicalisering dat de titel van het pamflet ons in het vooruitzicht stelde. Het is onze morele plicht, zo vat de auteur samen, om ‘de elites’ die ons met hun (per definitie corrupte en barbaarse) machtssystemen onderdrukken een nederlaag toe te brengen. Gebruikmakend van de ongebonden en mondiaal toegankelijke commons-platforms dienen wij hun machtssystemen omver te werpen en aldus de agenda van het constructieve radicalisme te verwezenlijken.

Met deze op bladzijde 139 getrokken conclusie eindigt een betoog waaraan een duidelijke gedrevenheid niet ontzegd kan worden. Opvallend is dat de auteur vaak in de eerste persoon meervoud argumenteert, terwijl niet altijd duidelijk is namens wie hij nog meer spreekt dan zichzelf, en dat hij het pagina na pagina gemunt heeft op ‘de elites’, zonder dat hij expliciteert om wie het dan bijvoorbeeld in België of in Nederland gaat. Op bladzijde 25, bijvoorbeeld, spreekt hij tot vijfmaal toe over ‘de elites’. Behoren hij en ik daar ook toe, of heeft hij het over Brussel of Den Haag of Hilversum of de Quote 500?

Verder valt te betreuren dat de woorden ‘democratie’, ‘parlement’ en ‘verkiezingen’ in dit pamflet niet één keer vallen, terwijl het wel voortdurend over macht en machtssystemen gaat en over het omverwerpen daarvan. ‘Het volk [...] delegeert zijn macht’, zegt de auteur op pagina 127, maar nergens vermeldt hij dat dit volk in een parlementaire democratie eens in de zoveel tijd de mogelijkheid heeft door zijn stem uit te brengen dat mandaat te verlengen of te wijzigen. Niet dat verkiezingen in onze tijd een probleemloos verschijnsel zijn, maar kennelijk heeft Abou Jahjah hoe dan ook meer vertrouwen in de subversieve kracht van commons-systemen dan in de toekomst van de westerse democratieën.

Neomarxistische agitprop

Aldus op onze plaats van bestemming geland wachten ons op de laatste acht bladzijden bij wijze van toegift nog enkele opmerkingen van de auteur over de Holocaust, over wat hij noemt ‘het project van de NSDAP’, over het zionisme en Adolf Hitler. Waarom deze opmerkingen aan het pamflet zijn toegevoegd wordt niet duidelijk. Ze herinneren eerder aan de vroegere opruiende tweets van agitator Abou Jahjah dan dat ze inhoud geven aan zijn identiteit als ‘belangrijke stem in het publieke debat’ (aldus degenen die het eerder voor de auteur hebben opgenomen).

Alles bij elkaar is Pleidooi voor radicalisering een karakteristiek geval van neomarxistische agitprop, met alle polemische kwaliteiten en democratische tekortkomingen van dien. En compleet met een eenentwintigste-eeuwse greep naar de (intussen virtuele) productiemiddelen. De glibberige landing op de slotpagina’s is onnodig en spijtig. Een reden tot opstand is dit boek niet, wel tot tegenspraak en discussie, zoals dat hoort bij een pamflet.