Recensie

Van een wendbaar paradijsvogeltje tot balts- en kwaakgeluiden

Klassiek

Waarom je beperken tot de oude meesters, als er nog zoveel om je heen wordt gemaakt? Renaud Capuçon en Bram van Sambeek laten zich niet beperken.

Renaud Capuçon (rechts) met dirigent Daniel Harding. Foto Kirk McKoy / Los Angeles Times via Getty Images

Voor sommige musici bestaat klassieke muziek alleen als onuitputtelijk verleden. Voor anderen, zoals de bejubelde sterviolist Renaud Capuçon (1976), is het óók een actualiteit. De grote vioolconcerten van Bach tot Bruch tot Berg heeft hij allemaal vastgelegd, en op zijn nieuwste album speelt Capuçon met dezelfde vurige intensiteit drie vioolconcerten waarvan de inkt ternauwernood is opgedroogd.

Dat iemand met de statuur en de klasse van Capuçon zich zo engageert met eigentijdse muziek is geweldig. En wanneer je zijn cd beluistert begrijp je waarom: dit zijn fantastische rijke stukken, gebracht met een passie en diepgang die zijn weerga niet kent. Dat Capuçon bij de totstandkoming nauw met de componisten samenwerkte hoor je aan alles – niet alleen wordt zijn volledige virtuositeit aangesproken, maar vooral ook het hele spectrum van expressiemogelijkheden waartoe hij in staat is.

Wolfgang Rihm (1952), de veel- en bijna-altijd-raakschrijver, maakte een qua opzet wat ouderwets kunstenaarsleven in klank. Maar de uitwerking is fonkelend en, hoewel Rihms expressionistische idioom nadrukkelijk knipoogt naar Bergs Vioolconcert, helemaal van nu. Bruno Mantovani (1974) exploreert de tegenstelling tussen de lineaire, zingende stem van de viool en het verticale, percussieve geklater van water. Die spanning werkt hij uit door de viool juist zo aquatisch mogelijk te laten klinken. Het levert in ieder geval spectaculaire, levendige muziek op, die ook doet denken aan een verrukkelijk en wendbaar paradijsvogeltje dat telkens ontsnapt aan de blokkades en valbijlen van het orkest.

Het meest omvangrijk en indrukwekkend is Aufgang van Pascal Dusapin (1955). Dusapin beschrijft het werk als een gelijktijdige zonsopgang en zonsondergang, en de continue strijd of dialoog tussen duistere en lichte krachten is vanaf de eerste maten adembenemend. Capuçon speelde Aufgang al in verschillende landen (o.a. tijdens het allerlaatste concert van de opgeheven Radio Kamer Filharmonie op het Holland Festival 2013) en deze doorleefde opname met het Radio France-orkest staat onder absolute hoogspanning. Het lyrische, ingetogen, dan weer verzengend hoge middendeel is van een haast ondraaglijke schoonheid. De soloviool krijgt hier prachtig weerwoord van een sputterende, kringelende altfluit, boven een borrelende afgrond waaraan de melodieën zich ternauwernood hebben ontworsteld.

Fagot bezig met inhaalrace

Ook fagottist Bram van Sambeek (1980) bestrijkt het hele solorepertoire voor zijn instrument, van Vivaldi en Mozart tot Goebaidoelina. De fagot heeft niet de solistische status van de viool, maar is de voorbije eeuw aan een inhaalrace bezig, dankzij de toegenomen fascinatie van componisten voor ongehoorde klankkleuren, en het vermogen van virtuozen als Van Sambeek om zulke fantasieën waar te maken. Op zijn nieuwe, Zweedse cd ontlokt hij de uitzinnigste balts- en kwaakgeluiden aan zijn instrument: hij kan schmieren, pruttelen, persen, fluitketelen, gruizig bassen en hartstochtelijk zingen, en vertelt daarbij steeds een overtuigend verhaal.

Sebastian Fagerlund (1972), dit seizoen composer in residence van het Amsterdamse Concertgebouw, schreef zijn boeiende fagotconcert Mana (2014) speciaal voor Van Sambeek. Het is een eredienst van broeierige glijers waarin de fagot trots en licht waanzinnig vooropgaat. De vrij-zwevende, etherische begeleide solo van het middendeel drijft van het ene suggestieve bijna-citaat in het andere – Stravinsky’s Sacre du printemps werpt een schaduw, evenals muziek uit het Midden-Oosten. En Van Sambeek maakt van elke frase een belevenis. Dat doet hij ook in het lange vierdelige Fagotconcert (2004) van Kalevi Aho (1949): minder verrassend en spraakmakend dan Fagerlund, maar met zijn combinatie van glanzende orkestrale bombast en uitputtende solocadensen verveelt het geen moment.