Recensie

Robert Smith zingt met zelfde snik als vroeger

The Cure De Britse band The Cure is de onverwachte overlever van het punktijdperk. Opgericht in 1976, houdt de groep rond voorman Robert Smith het inmiddels langer vol dan The Clash, The Jam of The Police.

Robert Smith, zanger van Foto Andreas Terlaak

De Britse band The Cure is de onverwachte overlever van het punktijdperk. Opgericht in 1976, houdt de groep rond voorman Robert Smith het inmiddels langer vol dan The Clash, The Jam of The Police. De muzikanten zelf zijn al veertig jaar vitaal, hun publiek is trouw. Het optreden gisteravond in Ziggo Dome, voor 17.000 mensen, was uitverkocht.

De afgelopen twintig jaar staat The Cure in sluimerstand, met nu en dan een tournee, een optreden op een festival (Pinkpop 2012) of een nieuw album (meest recent 4:13, uit 2008). Tournees zijn schaars, maar worden door Smith en zijn vier huidige bandleden nog altijd met enthousiasme ondernomen. Het publiek gisteravond weerspiegelde de tweedeling in het oeuvre van de band: er was het poppubliek dat hits als ‘Close To Me’ en ‘Why Can’t I Be You’ wilde horen, en er waren de fans – te herkennen aan de door Smith populair geworden zwarte kleding en kapsels – die de vroege stijl omarmen, toen de groep nog zwaar en somber klonk, zoals op het album Pornography (1982).

The Cure experimenteerde meer met stijl en geluid dan andere groepen destijds. De stuwende ritmes van bas en drum werden bedekt met een deken van kaatsende gitaarflarden. Daaroverheen galmde de hoge, soms huilerige stem van Robert Smith. Terugkijkend kun je zeggen dat The Cure een van de minst ‘macho’ bands van de afgelopen decennia is. Hier geen puntige gitaarsolo’s, geen heftig drumgebeuk, maar een kwetsbaar klinkende stem en teksten over existentiële vervreemding.

Als voorman blijkt Robert Smith (57) nog altijd weerbarstig, en dat staat hem goed. Smith hoeft niet te behagen, hij zingt nagenoeg onbewogen, de opmerkingen tussendoor zijn onverstaanbaar. De activiteit op het podium kwam gisteravond van bassist Simon Gallup, behalve Smith het enige andere oorspronkelijke lid van de band. Gallup, met gele bas en indrukwekkend vooruit priemende zwarte kuif, rende en sprong onophoudelijk over de breedte van het toneel.

Ondertussen werd drie uur lang geput uit het rijke repertoire van de band: van het zwaarmoedige ‘Other Voices’ en ‘The Last Day Of Summer’, tot het heldere ‘Lovesong’. Hoewel de groep meerdere stijlen beheerst, had het concert een drastische tweedeling: de eerste helft was somber, daarna werd het luchtiger. Dat was jammer, door de nadruk op de monotonere liedjes klonk het eerste deel soms dreinerig, ook al doordat Smith zich niet per se houdt aan de oorspronkelijke zanglijnen en zijn stem naar onbestemde tonen liet afglijden. Toch waren er indrukwekkende momenten, zoals de onvervalste wanhoop van ‘One Hundred Years’ met zijn kermende gitaarriff.

In het tweede deel kwamen glansnummers aan bod als ‘Play For Today’ en ‘Shake Dog Shake’. ‘Boys Don’t Cry’ zong Smith iets langzamer dan in 1979, maar met dezelfde snik als destijds – op dezelfde zwarte laarzen die hij ooit in de mode bracht, terwijl in de zaal werd gedanst op de door The Cure verbreide manier: met hoekige armen en de blik naar beneden.