Interview

Een leven als ex-Jehova’s getuige: ‘Ik heb het geblokt’

Frances Peters

(57) ging op haar twaalfde al als Jehova’s getuige langs de deuren. Toen ze het kerkgenootschap achter zich liet, moest ze haar leven opnieuw opbouwen. ‘Ik was heel onzeker, durfde mensen niet aan te kijken.’

‘Dag meneer. Zou u in een paradijs op aarde willen leven? Als armageddon komt, wordt alle kwaad van de wereld weggenomen door God en de engelen. Goede mensen krijgen een opstanding.”

Met lichte tegenzin reciteert Frances Peters wat zij ruim drie decennia als Jehova’s getuige in deuropeningen verkondigde. Zij schuift ongemakkelijk op haar stoel heen en weer. Giechelt. „Ik heb het geblokt”, zegt ze.

In 2007 werden Peters en haar man Martin door het kerkgenootschap uitgesloten. ‘Binnenkort worden jullie uitgeschreven bij Jehova’s Getuigen’, kwam een ouderling aan de deur melden. Daarna sprong hij in zijn auto met draaiende motor.

It’s been a long time coming, dacht Peters, die tweetalig werd opgevoed door haar Britse moeder. Martin en zij hadden ruim twee jaar niet meer gepredikt – de term voor huis-aan-huisgesprekken – en woonden geen gebedsdiensten meer bij. In hun hart hadden zij afscheid genomen van Jehova’s Getuigen. Hun distantie werd geaccepteerd, denkt Peters, omdat zij lang als fanatieke pioniers bekend stonden.

Haar zoon en dochter – die veertien en zeventien jaar waren op het moment van uitsluiting – werden door de ouderling niet genoemd. Zij waren niet gedoopt, dus stonden ook niet ingeschreven bij het kerkgenootschap. „De kinderen moesten de tijd krijgen aan het idee van uitsluiting te wennen”, zegt Peters. „Daarom hebben wij niet zélf de banden met Jehova’s Getuigen verbroken. Wij wisten: praktiserende familieleden verbreken het contact. Een pijnlijk vooruitzicht.”

Waarom Peters en haar man uitgesloten werden, en wat dat voor gevolgen had, zal zij een paar uur later uitleggen. Ons gesprek voert eerst langs tal van zijpaden. In razend tempo doet zij haar verhaal, met nu en dan een plaspauze. „Zal ik een boterham smeren”, vraagt zij tegen lunchtijd.

Peters werd nog net niet als Jehova’s getuige geboren. Toen zij een baby was, sloot haar moeder zich aan bij de christen-fundamentalistische beweging. „Zij was niet zoekende”, zegt Peters. „Maar wel eenzaam.” Eenzaamheid verklaart naast ziekte en het verlies van een baan of dierbare waarom mensen zich laten verleiden tot een gesprek, zegt zij.

Haar moeder Mary sprak eind jaren vijftig met een Jehova’s getuige in de deuropening van haar huis in Amersfoort. Haar ouders waren kort na elkaar in Engeland overleden. Haar ooit zo spannende relatie met de knappe Hollander Carel, leek uit te lopen op een mislukking. In ruim vijf jaar tijd hadden zij vier kinderen gekregen, van wie Frances de laatste was.

Carel bleek minder interesse te hebben in het gezinsleven dan hij in zijn jarenlange pen pal-verhouding met Mary had doen voorkomen. Hoe meer kinderen hij kreeg, hoe meer hij zich van het gezin distantieerde. „Mijn vader werkte in de horeca en ging steeds meer op in het nachtleven. Alleen tijdens de maaltijd zag ik hem weleens. Omdat hij de kinderen te druk vond, had hij een eigen tafel. Vaak kookte mijn moeder apart voor hem. Dan zat hij aan de biefstuk en wij aan de gehaktballen.”

De jonge Jehova’s getuige die begin jaren zestig aan de deur verscheen, werd door Mary gastvrij ontvangen. Zij reageerde verrukt toen hij een Engelstalige vriend optrommelde omdat zij gebrekkig Nederlands sprak. „Ze wilden graag bijbelstudie geven, en mijn moeder vond dat geen gek idee. Niet alleen zou dat haar wat verlichting geven, maar het zorgde ook voor structuur – iets wat mijn vader niet kon bieden.”

Carel Peters moest niets hebben van de nieuwe ‘hobby’ van zijn vrouw. In Amersfoort stond hij te boek als charmante ploert. Als het licht uitging in de clubs waar hij werkte, organiseerde hij thuis feestjes voor Amerikaanse en Canadese militairen uit het nabijgelegen Soesterberg. „Dat ging gepaard met veel drank en vrouwen”, zegt Peters. „Mijn moeder sloot zich op in haar slaapkamer. Wij kinderen volgden door een deurspleet wat er in de huiskamer gebeurde.”

Carel Peters bemoeide zich niet vaak met de opvoeding, maar toen zijn vrouw langs de deuren ging prediken – die van zijn klanten en collega’s – ontstak hij in woede. ‘Hoe wil jij het Woord verkondigen in je gebrekkige Nederlands’, riep hij. „Mijn vader schaamde zich voor mijn moeder. Hij begon zich nóg meer te misdragen. Schreeuwde ’s nachts regelmatig de hele buurt bij elkaar.”

Vanaf het moment dat zij kon lezen kreeg Frances Peters bijbelstudie. Met prediken begon zij op haar twaalfde, kort voor haar vader het gezin verliet. „Ik leefde in twee werelden. Op school was ik extreem verlegen, maar als ik langs de deuren ging, moest ik mijn zegje doen.”

Ze was niet goed in prediken, zegt Peters. De klik met onbekenden was er wel, maar ze weigerde hen iets op te dringen. „Ik schaamde me als ik met iemand van de oude garde predikte. Een van hen zei, toen een moeder geen interesse had in het paradijs op aarde, ‘dan moet u het zelf maar weten als uw kindje omkomt op Gods dag’.”

Het zelfbeeld van mijn kinderen werd aangetast toen familieleden hen de rug toekeerden

Frances en Martin kennen elkaar van het kerkgenootschap. Hij was net zo verlegen als zij en ging naar hetzelfde gymnasium. „Martin kon geweldig leren, maar stopte op zijn vijftiende met school. ‘Ik wil mij voorbereiden op armageddon’, zei hij.” De ondergang van de wereld zou zich – dat was een gegeven voor Jehova’s Getuigen – in 1975 voltrekken. Miljarden mensen zouden sterven, Martin wilde in de tijd die restte zo veel mogelijk prediken.

Pas jaren later zou hij zich afvragen waarom de wereld in 1975 niet ten onder was gegaan. En waarom de ‘deadline’ zonder veel bombarie was opgeschoven naar 1994 – waarna er opnieuw niets gebeurde. Martin voelde zich verraden en beschaamd. „Ik had professor kunnen worden”, zei hij tegen Frances.

Maar eerst zou het echtpaar – ze trouwden op hun twintigste – zich met hart en ziel voor de beweging inzetten. Toen eind jaren zeventig steeds meer Turken werk zochten in Nederland, volgden zij een cursus Turkse taal en cultuur in hun nieuwe woonplaats Hengelo. Met redelijk succes gingen zij de huizen van Turkse gastarbeiders langs. Martin werd ouderling. Ze stelden hun kinderwens uit om in Duitsland en België te kunnen prediken.

Ze leefden spartaans, maar de onkostenvergoeding van de beweging was ontoereikend. In hun eerste huwelijksjaren combineerden zij daarom het prediken met schoonmaakwerk. Zes uur per dag togen zij langs deuren, ’s avonds poetsten zij kantoren en trappenhuizen. Tot Peters eind jaren 80 een burn-out kreeg en Martin werk vond als tolk-vertaler.

„Zijn wereld werd groter”, zegt Peters. „En daarmee kwamen ook de vragen.” Die uitgestelde deadline voor ‘Gods dag’ was tot daaraan toe. Maar waarom werd een zeventienjarig meisje uitgesloten toen zij wilde samenwonen met haar vriend? Haar ouders hadden haar jong laten dopen, nu zouden zij hun kleinkind nooit zien. Ze moesten kiezen: de kerk of hun dochter.

Martin kon het niet aanzien. Hij vond dat het meisje haar familie moest kunnen blijven zien. Toen bleek dat hij daarin alleen stond, legde hij zijn ambt als ouderling neer. Hij stelde ook kritische vragen na een bericht in The Guardian dat Jehova’s zich – tegen de eigen leer in – bij de Verenigde Naties hadden laten registreren om te kunnen lobbyen bij regeringen.

„Zijn ogen waren eerder geopend dan de mijne”, zegt Peters. Pas toen zij een BBC-documentaire over grootschalig seksueel misbruik bij Jehova’s Getuigen in Engeland had gezien, „knapte er iets”, zegt zij. Het werd niet gewaardeerd toen Peters een ouderling om opheldering vroeg.

Het is vriendelijkheid met een ijzeren handschoen

Om de kinderen niet de dupe te laten worden van hun uitsluiting, hielden Frances en Martin zich een paar jaar „op de vlakte”. Zij bleven lid van de organisatie, maar kregen geen getuigen meer over de vloer en mochten geen bijbelbesprekingen meer leiden.

Sinds hun uitsluiting lopen vrienden en familie op straat aan hen voorbij. „Al die glimlachjes”, zucht zij. „Het is vriendelijkheid met een ijzeren handschoen.”

Lang vond Peters de wereld een gevaarlijke plek. „Ik was heel onzeker”, zegt zij. „Durfde mensen niet aan te kijken.” Ze besefte dat ze voor een keuze stond: of ik word gek, of ik leer wie ik ben buiten de groep.” Voor haar kinderen was de worsteling niet minder groot. „Hun zelfbeeld werd aangetast toen familieleden hen de rug toekeerden. Het was zwaar, maar ik zie dat zij zich er uit vechten”, zegt Peters.

En zij? „Op een dag trok ik de stoute schoenen aan. Ik meldde me bij de Hema en vertelde dat ik heel verlegen was, weinig werkervaring had en lang niet onder de mensen was geweest.” Ze kreeg een baan in het restaurant en leerde met vallen en opstaan haar angsten overwinnen.

Inmiddels geeft zij professionele begeleiding aan mensen die zich hebben losgemaakt of zijn verstoten uit extremistische groepen. En dat is een breed spectrum, verzekert zij.

Zo nu en dan krijgen Frances en Martin Jehova’s getuigen aan de deur. „Mijn man deed een keer open en vroeg of zij koffie wilden. ‘Maar weet wel dat wij zelf getuigen zijn geweest’, zei hij er bij. Ze wisten niet hoe gauw ze weg moesten komen.”