Kritiek op Cohen

Het oordeel over Leonard Cohen was niet altijd zo positief als uit de necrologieën van de afgelopen dagen blijkt. Er was kritiek op zijn stem, op het poëtische gehalte van zijn songs en op de muziek zelf. In Nederland lieten vooral Gerrit Komrij en Renate Rubinstein hun afkeer blijken. In zijn essaybundel Daar is het gat van de deur uit 1974 ergert Komrij zich wild aan de roman Glorieuze Verliezers van Cohen, „wiens neuzelende leuterliedjes me, vanwege hun frequente aanwezigheid in radioprogramma’s voor de vrouw en voor de jeugd, helaas ook al niet waren ontgaan”. Dat de songteksten van „dit ouwe wijf” voor poëzie werden aangezien, noemt Komrij „een reusachtige vergissing”. Hij beperkt zich verder tot de roman, waaruit hij een aantal inderdaad zeer bedenkelijke citaten opdiept, en sluit af met de constatering dat het een boek is van „een over het paard getilde non-valeur”.

Renate Rubinstein ging, ook in 1974, met haar vriendin en popcritica Elly de Waard naar een concert van Cohen in de Doelen in Rotterdam. Ze begreep niets van het extatische publiek. „De melodieën lijken allemaal op elkaar”, schrijft ze in een column, „en de teksten blijven, ook zonder applaus, hoogst onduidelijk want de uitspraak is nasaal, roerdomperig en als je ze ten slotte, in het Songbook, zelf leest, dan maakt dat, zoals nog zal blijken, ook al geen verschil.”

Ze typeert hem, niet onverdienstelijk, als een versierder die bij zichzelf diepere, waardiger smart voelt dan bij al die „snikkende vrouwen en baby’s” die hij achterlaat, een smart die „bovendien zeer bruikbaar is bij het versieren van volgende dames”. Ze noemt zijn teksten „pure abracadabra” , maar ze neemt deze „wonderdichter” niets kwalijk. „Het onbegrijpelijke en mismoedig stemmende ligt in het publiek dat dit slikt, diepe wijsheden meent te horen, wild applaudisseert, niets verstaat en Alles begrijpt. Zo’n publiek vraag erom, het wil versierd worden.”

Het is alweer ruim veertig jaar geleden dat deze kritiek gespuid werd. In die periode bouwde Cohen verder aan een imposante reputatie als artiest. Over de hele wereld vierde hij successen, zowel met optredens als met platen/cd’s. De kritische geluiden verstomden. Wie had er gelijk?

Waar smaken verschillen valt, zoals bekend, geen gelijk te halen. Zelf vind ik dat Komrij en Rubinstein Cohen als artiest tekortdeden. Zijn teksten zijn inderdaad niet vrij van pretentieuze, quasipoëtische flauwekul, en zijn zangstem houdt evenmin over; het is goed dat deze columnisten daarop durfden wijzen. Ik ben dan ook nooit een onvoorwaardelijk bewonderaar geweest, liever luisterde ik naar de heldere, vlijmscherpe ironie van songwriters als Randy Newman en Loudon Wainwright.

Maar! Maar! Cohen heeft ook een aantal mooie songs geschreven, die anderen soms beter hebben gezongen dan hij. Wie louter naar de teksten kijkt, houdt meestal niet meer dan middelmatige poëzie over. Maar het gaat om popmuziek, de betovering ontstaat pas door het bezielende verband met de muziek.

Cohen, die als dichter begonnen is, had het kostbare talent om soms pakkende melodieën te componeren bij zijn teksten. Hij tilde daarmee die teksten op, het leek alsof hij belangrijke poëzie had geschreven – een vorm van onweerstaanbaar geluidsbedrog.