Recensie

De Appel geeft flair aan eigen ondergang

Na 45 jaar moet Toneelgroep De Appel stoppen. Wraaktragedie Hamlet past goed in de onverwoestbare Appel-traditie.

Nietsontziende kantoorradicalen, politieke wormen, grijze ambtenaren: de acteurs van Toneelgroep De Appel verweven met flair en verve hun aangekondigde ondergang met de wraaktragedie Hamlet (1600). De voorstelling opent met de befaamde woorden „Bestaan of niet bestaan, dat is de vraag”, door alle acteurs zingzeggend uitgesproken, als een aanklacht.

Wanneer Hamlet in de doodgraversscène enkele schedels in de hand neemt, is er een van nar Yorick en de andere van „de wethouder”. De toeschouwers geven meteen blijk van bijval. De gemeente Den Haag besloot De Appel geen subsidie meer te verlenen. Dat is pijnlijk en verdrietig. Na 45 jaar houdt het gezelschap op te bestaan.

Lees de necrologie van De Appel: Alles deed De Appel anders

Hamlet als sinistere magiër

Regisseur David Geysen, die tevens de titelrol vervult, en het ensemble tonen in deze dynamische, wervelende Hamlet een ongebroken vitaliteit. Geysen is niet de traditionele, melancholieke twijfelaar die maar niet tot daden komt, integendeel, als een sinistere magiër zwengelt hij de actie aan. Hamlets vader is vermoord door oom Claudius, die meteen het bed deelt met zijn moeder, Gertrude. Doodsmaal en bruiloftsfeest zijn hetzelfde. Het decor bestaat uit een stellage van buizen en plankieren, als de transen van kasteel Elseneur. Het is een constructie die we herkennen van tal van eerdere Appel-uitvoeringen.

Preview van Hamlet. Lees verder na de video.

Met kleurrijke kostuums, rook, prachtige belichting (door lichttovenaar Henry van Niel) en dreigende composities van Carl Beukman staat deze Hamlet in de onverwoestbare Appel-traditie. Maar het is juist deze traditie, waar een stad als Den Haag en het Nederlandse theater trots op zouden moeten zijn, die het gezelschap helaas fataal werd. In beeldtaal is de commedia dell’arte bij De Appel nooit ver weg. De Hamlet van Geysen verwisselt het zwarte kostuum voor een kleurrijke kraag en een knalrood vogelmasker, als op een schilderij van Jheronimus Bosch. Dat gebeurt vlak voor de toneelspelersscène waarin hij de moord op zijn vader probeert te achterhalen door acteurs de misdaad te laten uitvoeren. Steeds krankzinniger lijkt Hamlet voor zijn oom, moeder, Ophelia en vriend Horatio te worden. Wij, toeschouwers, raken in de ban van zijn opzet om dankzij theater de waarheid te vinden.

Groteske speelstijl

Het siert regie en spelers dat deze zwanenzang van grote theatrale expressiviteit en vindingrijkheid getuigt, allesbehalve larmoyant. Soms wint de groteske speelstijl het van de helderheid, ook de dictie laat weleens te wensen over in deze gejaagde vaart. Maar acteurs als Judith Linssen als ijzige Gertrude, Iwan Walhain als bezorgde Horatio en Bob Schwarze in de rol van een ironische Polonius geven fraai reliëf aan Hamlets steeds wanhopiger zielskracht tot vergelding van zijn vaders brute einde.

Aan het slot vallen meer doden, ook Hamlet. In slow motion krijgt Hamlet de fatale steek van de vergiftigde floret. Maar Geysen valt niet neer, zoals in alle andere versies. Hij blijft fier rechtop, en spreekt de laatste woorden zó aangrijpend uit: „Ik ben dood, u leeft verder. De rest is stilte.” Zondag 18 december speelt de allerlaatste Hamlet; eerst komen nog een Shakespeare Sonnetten Marathon en de Grote Appelveiling. Dan gaan alle Appeliana onder de hamer. Ik zal het gezelschap missen.