Kun je objectief verslag doen met een visum van Assad?

Syrië

Er komen weinig journalisten in Syrisch regeringsgebied. En als ze gaan is er veel kritiek.

President Bashar al-Assad in een interview met de Russische krant

‘Wie naar Damascus gaat verliest zijn plek’, stond er ooit op een muur in Beiroet gespoten. De graffiti sloeg op Libanese politici die in het gevlei van het Assad-regime wilden komen. Begin deze maand was de slogan opnieuw toepasselijk maar dan op westerse journalisten die Syrië verslaan.

De aanleiding: een conferentie in Damascus, georganiseerd door de British Syrian Society, waarvoor tal van vooral Britse en Amerikaanse journalisten waren uitgenodigd. De British Syrian Society wordt voorgezeten door Fawaz Ahkras, de schoonvader van president Assad.

De reacties lieten niet op zich wachten. Het eerste slachtoffer was Rania Khalek van Electronic Intifada, een pro-Palestijns alternatief medium. Khalek kreeg zoveel kritiek dat zij eerst afzegde, en vervolgens ontslag nam. Ook de traditionele media, zoals The New York Times en The New Yorker, kregen er van langs. In een veel gedeeld artikel verwijt Lee Smith van het neo-conservatieve The Weekly Standard hen het ‘witwassen van oorlogsmisdaden’ en ‘het legitimeren van een genocidaal staatshoofd’.

Het Syrische visumbeleid is wispelturig. Deze krant heeft sinds 2012 geen visum gekregen; anderen lijken wel een abonnement te hebben. Dat heeft soms te maken met de aard van de berichtgeving, of dat iemand verslag heeft gedaan aan rebellenkant.

De logica is soms ver zoek. Zo kunnen Amerikaanse media een visum krijgen maar doorgaans alleen als zij journalisten met een niet-Amerikaans paspoort sturen.

Dat zorgt ervoor dat een journalist elke kans aangrijpt om naar regeringsgebied te gaan, ondanks de beperkingen.

De reden waarom de kritiek deze keer zo fel is, is de conferentie, en ook wel de timing ervan. Het regime staat militair sterk, zij het vooral dankzij de steun van Rusland, Iran en Hezbollah, en hoopt op een opheffing van de sancties.

Zaher Sahloul, een dokter uit Aleppo, lanceerde op Facebook een aanval tegen Anne Barnard van The New York Times.

„Als Hitler in de schoenen van Assad stond, zou jij dan zijn uitnodiging voor dit charmeoffensief aanvaard hebben, wetende dat Goebbels achter deze goedkope propaganda zat?”

‘Belachelijke kritiek’

Sander van Hoorn van de NOS was niet bij de conferentie maar ging de voorbije vijf jaar wel zo’n vijftien keer met een visum naar Syrië. Hij vindt de kritiek belachelijk. „Een visum van de regering is momenteel de enige manier om verslag te doen uit Syrië. Ja, het is eenzijdig, maar helemaal niet verslag doen vind ik niet oké.”

Barnard had sinds 2014 geen visum meer gekregen dus toen ze van de conferentie hoorde, aarzelde ze geen moment. „Natuurlijk wist ik dat het een PR-offensief was. Je gaat om te luisteren: wat is de boodschap die het regime naar buiten wil brengen? En je gaat vooral omdat het een kans is om verslag te doen uit regeringsgebied.”

Dat de kritiek zo fel is heeft volgens Barnard ook te maken met het feit dat journalisten geen verslag meer doen uit plaatsen als Oost-Aleppo. „Door het gevaar op kidnapping mogen de meeste journalisten van hun werkgever niet meer gaan.”

Artikelen uit regeringsgebied worden daardoor veel kritischer bekeken. Het is waarom Nabih Bulos van The Los Angeles Times zwaar bekritiseerd werd voor een stukje over het uitgaansleven in Damascus in de marge van de conferentie. Waarom had hij niet het lot vermeld van de burgers die in Daraya worden belegerd door het regime?

Van Hoorn herkent het dilemma.

„Nu het in oppositiegebied te gevaarlijk is geworden komen de verhalen over Syrië alleen van mij in regeringsgebied. Stel: je zit in Lattakia en daar vallen twee doden bij een mortieraanval. Dan moet je wel zeggen dat er op hetzelfde moment vaatbommen vallen op Oost-Aleppo die veel meer schade aanrichten. Anders wordt je berichtgeving ongeloofwaardig.”

Een ander aspect zijn de ‘minders’, mannetjes van de regering die voortdurend over de schouder van journalisten meekijken. Moet je dat er telkens bijzetten? Van Hoorn van de NOS: „Je moet het zeggen als het relevant is. Het kan voorkomen dat er zes begeleiders rond mij staan terwijl ik iemand interview. Wat zegt zo iemand dan? Anderzijds: steun voor Assad is er ook oprecht.”

Barnard ging na de conferentie mee op een georganiseerde trip naar West-Aleppo. Het was, zegt ze, de meest gecontroleerde trip ooit. „We werden echt geen moment alleen gelaten.” De trip voerde naar een hospitaal waar op dat moment slachtoffers werden binnengebracht van een mortieraanval van de rebellen op West-Aleppo. „Dat is gewoon een realiteit waarvan je verslag doet.” Maar Barnards begeleiders zeiden ook dat er in Aleppo aan regeringskant al 11.000 doden zijn gevallen. In haar artikel geeft Barnard toe dat ze dat niet kan checken. „Maar bijna elke inwoner van Aleppo die ik de voorbije jaren heb gesproken kent wel iemand die aan regeringskant is gedood.”

Voor Barnard en Van Hoorn blijft het ondanks alle beperkingen de moeite waard. Van Hoorn: „Soms wacht je tot je het land uit bent om zaken te checken, of bijkomende interviews te doen.” Barnard: „Je ziet wat je ziet. En het is niet alsof ik mijn brein thuis laat.”