Column

Groetjes van Bernie

Je hoorde het de afgelopen dagen steeds vaker: Bernie Sanders zou een betere kans tegen Trump hebben gemaakt dan Hillary Clinton. Ik was reuze benieuwd naar Sanders’ reactie op haar nederlaag, maar hij wilde er de eerste dagen na de verkiezingen weinig over kwijt. Pas op het einde van de week verscheen er van zijn hand een opmerkelijk artikel in The New York Times.

Hij noemt daarin Hillary plichtmatig maar één keer („ik geloofde dat zij de goede keus was”) om vervolgens vast te stellen: „Maar Trump veroverde het Witte Huis omdat hij met zijn campagneretoriek succesvol een zeer reële en gerechtvaardigde woede aanboorde, een woede die veel traditionele Democraten voelen.”

„Ik ben bedroefd, maar niet verrast door de uitslag”, schrijft Sanders. „Het is geen shock voor mij dat miljoenen mensen op Trump stemden, omdat ze de status quo van de economie, politiek en media spuugzat zijn.”

Daarna vat hij in één alinea treffend de zwakten van de Amerikaanse samenleving samen.

„Hardwerkende gezinnen zien hoe politici financiële steun krijgen van miljardairs en bedrijven – en de behoeften van gewone Amerikanen negeren. De afgelopen dertig jaar zijn te veel Amerikanen afgedankt door hun bedrijfseigenaren. Zij maken langere uren voor lagere lonen terwijl ze goedbetaalde banen naar China, Mexico of een ander lagelonenland zien gaan. Ze hebben genoeg van bazen die 300 maal zoveel verdienen als zij, terwijl 52 procent van de nieuwe inkomsten naar 1 procent van de top gaat. Veel van hun plattelandsgemeenten raken ontvolkt, hun winkels in het centrum gaan dicht en hun kinderen vertrekken omdat er geen banen zijn, en dat terwijl bedrijven de welvaart uit hun gemeenschappen zuigen en er buitenlandse bankrekeningen mee spekken.”

Sanders zou een interessante tegenstander van Trump zijn geweest, juist omdat ze het in een aantal opzichten met elkaar eens zijn. Beiden hameren op meer banen, een betere infrastructuur en minder vrijhandel. Hun strijd zou daarom niet de oorzaken, maar de oplossingen hebben betroffen.

„De gekozen president Trump heeft gelijk”, schrijft Sanders, „het Amerikaanse volk wil verandering. Maar welk soort verandering heeft hij te bieden? Zal hij de moed hebben om op te staan tegen de machtigste mensen van dit land, die verantwoordelijk zijn voor de economische pijn die zoveel hardwerkende gezinnen voelen, of zal hij de boosheid van de meerderheid tegen de minderheden, immigranten, de armen en de hulpelozen richten?”

Sanders gaat door met zijn ‘politieke revolutie’. Zijn laatste woorden: „Als we bij elkaar blijven en ons niet door demagogen uit elkaar laten spelen op grond van ras, geslacht en nationale afkomst, is er niets wat we niet kunnen bereiken.”

Groetjes van Bernie had hij eronder kunnen zetten, maar zoveel speelsheid is hem vreemd. Ik heb nooit veel in zijn kandidatuur gezien omdat hij me te links leek voor Amerika. Achteraf is het spijtig dat hij, soms met onoorbare middelen, door de professionele verkiezingsmachine van Clinton kon worden uitgeschakeld.

Ik hoor Lodewijk Asscher en Diederik Samsom weinig over Sanders, maar misschien zou het voor hen en hun partij nuttig kunnen zijn om zich te verdiepen in de oorzaken van diens opmerkelijke succes als linkse politicus in een rechtse samenleving.