Column

Boos en bang

marcelroosmalen0

De ‘boze witte man’, soms ook ‘de bange boze witte man’ genoemd, werd na de overwinning van Trump bij de Amerikaanse verkiezingen nog serieuzer genomen. Als hij ook maar een beetje uit zijn woorden kwam, maar dat hoefde niet, mocht hij zijn ongenoegen verwoorden in de door hem zo gehate media. Bij Pauw gingen vorige week ‘een laagopgeleide’, ‘een PVV-stemmer’ en ‘een teleurgestelde oudere’ in gesprek met Alexander Pechtold van D66, die ervan met de ogen knipperde. We kregen meer van dezelfde klaagzang: politici beloofden van alles maar maakten niets waar.

Ik vond de door de talkshow geselecteerde boze witte mannen (en een boze witte vrouw) nogal meevallen. Als bewoner van de Amsterdamse wijk Betondorp ken ik ze wel bozer. Er zijn duiders die ‘de signalen’ van deze boze witte mensen denken te kunnen interpreteren, er zijn ook mensen die trots zeggen dat ze ze goed kennen, bijvoorbeeld omdat ze er tussen wonen. Zelf zou ik liever ergens anders wonen. In een buurt met grotere huizen en meer nuance bijvoorbeeld.

Een vriend uit een paar buurten verderop zei me nadat ik hem verteld had hoe blij mijn buren met de overwinning van Trump waren: „Ze bedoelen het niet zo.”

Nou, dus wel.

Met boze witte mensen is het slecht bruggen bouwen. Ze willen echt moslims deporteren, een kernbom op Damascus gooien ‘om maar van het gezeik af te zijn’, Sylvana Simons wegsturen met een pakjesboot en de doodstraf invoeren, maar ze doen tegelijkertijd wel heel lief tegen je huisdier.

Laatst leende ik een tientje aan een boze witte man die Amsterdam-Oost vanwege de vele moslims die hij er ziet consequent ‘Bagdad’ noemt. Hij hield me staande bij de buurtwinkel omdat hij geen geld had voor brood. Het lag niet aan de hoogte van de uitkering, zei hij eerlijk. Hij kon gewoon niet omgaan met de verleiding van internetcasino’s.

Natuurlijk gaf ik dat tientje, we kenden elkaar toch?

Een half uur later troffen we elkaar weer. Ik ging met de dochter een kopje koffie drinken in het café, waar ze altijd zoveel speculaasjes voor haar op het schoteltje leggen dat we er de tijd wel doorkomen.

Even verderop zat de boze witte man die ik een tientje voor brood had geleend achter het bier. Wat ik goed vond was dat hij meteen de aanval opende toen hij zag dat ik hem in het vizier had.

Hij zei: „Ik heb er toch ook brood van gekocht! Ik had geld over.”

Mijn geld zag ik nooit meer terug, dat wist ik zelf ook wel.

„Zie het maar als ontwikkelingshulp”, zei hij.

Ik kon daar heel zinloos van alles van gaan vinden, maar ik kon er ook om lachen.