Klimaat

Investeer in de toekomst, niet in het verleden

We kunnen wel juichen bij iedere kolencentrale die wordt gesloten. Maar wat doen we met de werkgelegenheid die daarbij verloren gaat, vraagt Nigel Topping van WeMeanBusiness zich af.

Windpark in Kansas Foto AP

Onlangs kwam ik het verhaal tegen van Ed Woolsey, een vijfde generatie boer uit Iowa. In de afgelopen jaren is het gewas dat hij verbouwd radicaal veranderd. ‘Ik heb maïs en sojabonen en vee gehad’, zei hij tegen persbureau Bloomberg. ‘Nu … oogst ik wind.’

Woolsey  maakt deel uit van een gemeenschapscollectief, dat tien windturbines beheert en de stroom verkoopt aan lokale elektriciteitscoöperaties. Tegen 2030, zullen grondeigenaren op het platteland in de VS naar verwachting jaarlijks voor 900 miljoen dollar aan inkomsten uit windenergie genereren, blijkt uit onderzoek.

Een falende sector of bedrijf helpen de overgang te maken naar een nieuwe, koolstofarme groeisector heet ook wel ‘just transition’. Partners in The B Team en Sharan Burrow van de International Trade Union Confederation (ITUC), hebben veel gedaan om het belang hiervan te benadrukken.

Rechtvaardige transitie

Bij de overgang naar een koolstofarme toekomst is een ‘rechtvaardige transitie’ onvermijdelijk de gevolgen voor de werkgelegenheid en de lokale economie te beperken. Verouderde banen en sectoren moeten worden vervangen door qua opleidingsniveau vergelijkbare en even goed betaalde banen in de koolstofarme economie. Een voorbeeld hiervan is Pittsburgh, een oude staalstad die zichzelf nu opnieuw uitvindt als een leider in zelfrijdende auto’s.

Het gevaar van een onrechtvaardige transitie is zeer reëel. Blindheid voor onbedoelde gevolgen, een gebrek aan adequate planning en te weinig zorg voor lokale werkgelegenheid, zou ertoe kunnen leiden dat de publieke opinie omslaat en zich keert tegen inspanningen om klimaatverandering te bestrijden.

Zo gaat de overgang naar elektrisch rijden bijvoorbeeld steeds sneller. Volgens een recent rapport van Climate Action Tracker (CAT) moet de laatste benzineauto rond 2035 verkocht zijn om de wereld op het pad van maximaal twee graden opwarming te houden. Sommige autofabrikanten, zoals VW, hebben al gewaarschuwd dat dit waarschijnlijk banen gaat kosten, omdat er minder componenten in de nieuwe auto’s nodig zijn. Tegelijkertijd richten andere bedrijven, zoals Tesla, zich op zelfrijdende auto’s. Wat mogelijk grote gevolgen heeft voor de werkgelegenheid van beroepschauffeurs.

Dit kan leiden tot de creatieve destructie die wordt beschreven door de Oostenrijkse econoom en politicoloog Joseph Schumpeter. Bedrijven hebben de keuze zich aan te passen of opgeslokt te worden door de nieuwe orde. Dit soort vooruitgang is spannend en zorgt voor een paradigma-verandering op macroniveau, zowel vanuit een economisch als een koolstofarm perspectief. Maar zo zullen degenen die daardoor hun baan verliezen dat niet zien.

In plaats van alleen te juichen over de sluiting van een kolencentrale, moeten we zorgvuldig onderzoeken wat de gevolgen daarvan zijn op individueel en gemeenschapsniveau – en hoe we de impact ervan voor die gemeenschap zoveel mogelijk kunnen beperken.

Anders maken we de bestaande politieke verdeeldheid, met name in Europa en Amerika, alleen maar groter. Het gevoel van onrechtvaardigheid, van vergeten worden – of dat nou terecht is of niet – is precies waar populistische politici op inspelen en dreigt zo een destabiliserende factor te worden voor de maatschappij als geheel.

Een opleving van protectionisme en anti-globalisering is slecht voor het bedrijfsleven en zal waarschijnlijk positieve veranderingen vertragen. Kijk maar wat er gebeurt onder populistische regeringen. Die proberen oude industrieën, die anders zouden verdwijnen, in leven te houden. Terwijl die wegkwijnende bedrijven juist op zoek moeten gaan de nieuwe mogelijkheden, in plaats van bescherming te vragen bij de overheid. Het Nederlandse chemieconcern DSM was ooit een steenkoolbedrijf – nu maakt het hoogwaardige materialen en voedingsproducten. En zo zijn er tal van voorbeelden van bedrijven die vakkundig de transitie hebben gemaakt.

Het belangrijkste is om te investeren in de toekomst, niet het verleden. In Iowa zag Ed Woolsey de prijs van maïs dalen van zeven dollar, eerst naar 4,20 en ten slotte naar ongeveer 2,70 dollar. Hij kon doorgaan met wat hij aan het doen was tot de situatie onhoudbaar zou worden. Of hij kon, met een duwtje van de overheid (in zijn geval een federaal belastingkrediet), de stap zetten naar een winstgevende toekomst. Gelukkig, koos hij voor het laatste. We moeten anderen helpen hetzelfde te doen.

Deze column werd eerder gepubliceerd op de website van WeMeanBusiness.

Blogger

Nigel Topping

Nigel Topping is hoofd van ‘We Mean Business’, een platform van organisaties die samenwerken met tal van bedrijven en investeerders bij het bestrijden van klimaatverandering.