Wat zat er nou precies in Roodkapjes mandje?

‘De meening dat het inademen der nachtlucht schadelijk is wordt nog steeds in vele huisgezinnen als waarheid aangenomen. Wel beschouwd is de lucht binnenshuis ’s nachts evenzeer nachtlucht, doch niet zoo zuiver – en men aarzelt dan aan de zuivere buitenlucht de voorkeur te geven!’

Het Rotterdamsch Nieuwsblad was in 1889 de eerste krant die aandacht besteedde aan conclusies van het Britse vakblad The Sanitary World over de gevaren van ‘night air’. Nachtlucht bleek helemaal niet schadelijk, niet de nachtelijke buitenlucht tenminste, men deed er juist goed aan die ongehinderd de woning in te laten. De mannen der wetenschap hadden dit vastgesteld.

Nu dachten in die tijd niet àlle Nederlanders dat nachtlucht schadelijk was, er waren ook romantici en schoonschrijvers die hem koel, fris en verkwikkend noemden, maar dat waren uitzonderingen. Buiten hun kringen wist iedereen dat inademing van nachtlucht ongezond was. Lees het na in het krantenarchief Delpher. Tot voor kort waren er nog steeds Nederlanders die meenden dat je zuigelingen nooit aan nachtlucht moest blootstellen.

De hardnekkigheid van oude misverstanden en vooroordelen, daar zou je een dissertatie over vol kunnen schrijven. Wat de nachtlucht werd toegedicht – niet te vertrouwen – overkwam de berglucht, de zeelucht en ten slotte ook de boschlucht min of meer in omgekeerde zin, hoe zeg je dat. In de loop van de negentiende eeuw werden die luchten steeds vaker uitdrukkelijk ‘gezond’ of ‘verkwikkend’ genoemd, zó vaak ten slotte dat de lui van het hotelwezen vandaag nog steeds geloven dat boslucht gezond is.

Ook de ‘krachtige’ bouillon houdt al eeuwen stand. In 1818 stimuleerde koning Willem I het gebruik van de ‘papiniaanschen pot’ (hogedrukpan) om daarmee uit beenderen en water, en niet meer dan dat, een gezonde en krachtige bouillon te bereiden die men bedelaars en gevangenen zonder bezwaar kon voorschotelen. De Haarlemse arts en natuuronderzoeker Martinus van Marum, vervolmaker van de pot, had deze toepassing bedacht. Tweehonderd jaar later denken koks en zelfkokers nog steeds dat bouillons ‘krachtig’ zijn.

Vleeschnat, soup en bouillon golden al in de achttiende eeuw als spijzen bij uitstek waarmee zieken en bedlegerigen op kracht konden komen: ziekenkost. Het vleesnat kreeg halverwege de negentiende eeuw onverwacht steun van Justus von Liebig, vader van de moderne voedingsleer, die ontdekte hoe je nuttig gebruik kon maken van vleesafval uit de leerindustrie: je kon er vleesextract uit bereiden. Liebig, die sowieso veel van vlees en eiwitten verwachtte, prees zijn extract aan als genezend en extra voedzaam. Toen hij die aanprijzing moest laten vallen gooide hij het over een andere boeg: Liebig’s vleesch-extract was ‘goedkoop, gemakkelijk en zeer krachtig’. En genezend, wist iedereen.

Vóór 1845 was nauwelijks onderzocht aan welke eisen goede voeding moet voldoen, laat staan dat men had kunnen zeggen wat goede ziekenvoeding zou zijn. Niet het empirisch onderzoek maar het gevoel was leidend. Het gevoel zei dat er in alle gevallen altijd wijn toe behoorde. Sporadisch vind je hier en daar, bijvoorbeeld in Delpher of bij Google Books, expliciete opsommingen. Behalve wijn en krachtige bouillon of soep, zijn daar boter en stroop, rozijnen en pruimen, sago en kippensoep. Het geklutste ei met suiker lijkt ook al een oude aanbeveling.

De beroemdste zieke uit de literatuur is zonder twijfel de bedlegerige grootmoeder van ‘Roodkapje’. Roodkapje moest, zoals bekend, op een dag versterkende kost naar haar oma brengen en ontmoette onderweg een wolf die haar slecht gezind was. Het volksverhaal is op schrift gesteld door Charles Perrault (1697) en kwam, licht veranderd, ook terecht in de sprookjesverzameling van Jacob en Wilhelm Grimm (1812-1814). Achteraf is gebleken dat er tientallen verschillende versies van het verhaal door Europa hebben gecirculeerd. Soms liep het daarbij wel, soms niet goed af met Roodkapje en/of de wolf. Het tijdschrift PLOS ONE bracht in november 2013 de samenhang tussen de vele versies in kaart.

Opvallend weinig aandacht is er door de jaren heen geweest voor de samenstelling van de versterkende kost die Roodkapje moest afleveren. Kon die het herstel van haar oma wel bevorderen? Wat zat er eigenlijk in haar mandje? Bij de Grimms was dat ‘ein Stück Kuchen, und eine Flasche Wein’ en die twee zijn ook, zie internet, het meest in beeld gebracht. Maar bij Perrault gaf Roodkapjes moeder ‘une galette & ce petit pot de beurre’ mee. Koek en boter dus, niks wijn. En ook geen mandje trouwens. In Zuidoost-Frankrijk circuleerde een versie met warm brood en een fles melk (‘une époigne toute chaude et une bouteille du lait’).

Nauwgezet onderzoek zou vast andere combinaties aan het licht brengen. Je stelt je voor dat de verteller zelf wel bedacht wat goed zou zijn voor een zieke oude vrouw. Van dat onderzoek komt het misschien nog wel eens. Bij deze alvast een combi die opdook in een laat 19de eeuwse vertaling van Rotkäppchen: ‘a piece of nice meat and a bottle of wine’. Hier zit de hand van Liebig achter.