Interview

‘Waarom wou ik dit ook alweer?’

Lunchinterview Actrice en columniste Georgina Verbaan gunt haar lezers een blik in haar hoofd, maar wordt nooit persoonlijk. „Wat ik schrijf, is niet te quoten.”

Foto: Frank Ruiter

In het hoofd van Georgina Verbaan (37) is het rommelig en een beetje vies. Af en toe laat ze NRC-lezers erin kijken. We zien een ravage afgezet met rood-witte linten. Er staan lege koffiekopjes en wijnglazen, in de hoek huist een komodovaraan. Onafgebroken klinkt hetzelfde liedje. Aan de muren hangen bordjes met: Volledige drankvergunning en Hoogspanning, levensgevaarlijk. Ergens in de chaos moet een handboek Sociale situaties slingeren. Ha, gevonden. Het is een multomap waar witte velletjes uitwarrelen.

Wie heeft rondgeneusd in haar bovenkamer, en weet hoe benauwd het daar soms is, rekent er bijna op dat ze haar mails onbeantwoord laat en telefoonoproepen negeert. Ze mag dan een vaste NRC-columniste zijn, dat maakt haar niet minder schuw. Dus je kunt haar best vragen voor een lunchinterview en daar kun je allerlei redenen voor aandragen. Dat haar lezers haar weleens willen leren kennen. Dat ze voor velen een mysterie is. Wie is dat „mavo-meisje” helemaal?, vroegen briefschrijvers vorig jaar toen ze – eenmalig – op de plek van Youp van ’t Hek stond (ook mavo). Wat deed dat „Playboymodel” in hun chique krant? Ze wekt verwarring, dat op z’n minst. Ongeschoold actrice met twee Gouden Kalveren op zak. Hoofdrolspeler in romantische komedies én serieus toneel. Bloot op een skateboard in de LINDA.man en moeder van een dochter. De vertolkster van Nietespiet én tafeldame bij De wereld draait door. Tijd om te laten zien wie ze echt is. Toch? Nee hoor. Niks. Geen sjoege.

Dat was allemaal van de zomer. Maar nu is er een boek. Loze ruimte, heet het en het bevat een selectie van haar NRC-columns van de afgelopen drie jaar. Haar vriend ontwierp de omslag. En nu wil ze wel. Of moet ze, van haar uitgever? Nee, zegt ze. „Ik wil zelf.” Ze wil gelezen worden, zegt ze. „Ik hoop, als er veel boeken worden verkocht, dat ik daarmee tijd kan kopen om meer te schrijven.” Een novelle. Een roman misschien.

Ze komt het Conservatorium hotel binnenhollen. Gehaast, want te laat. Onder begeleiding van dezelfde duizend excuses als waarmee ze haar stukje – meestal nèt iets na deadline – inlevert. Sorry, sorry, sorry. Fiets weg. Telefoongesprek liep uit. Taxi schoot niet op. Zo, ze zit. Frèle en nerveus. Ze zou wel een wijntje lusten. De ober schenkt een bodempje voor haar in. Chardonnay. Hij blijft naast de tafel staan wachten. Ooh, ze moet hem proeven. Ze nipt. „Nou, ík vind hem lekker.” Erbij nemen we sla zonder kip – ze is vegetariër – en friet met mayonaise.

Het is een manier om mensen mild over je laten oordelen.

Gisteravond zag ik haar een uur en vijftig minuten op een tamelijk kaal toneel staan in het DeLaMar-theater in Amsterdam. Samen met Jeroen Spitzenberger speelt ze in Venus, een stuk over een toneelschrijver die een geschikte actrice zoekt voor de vrouwenrol in zijn script. Het is een lastig stuk. Het speelt zich af in twee tijdsperiodes, het nu en de achttiende eeuw. Twee plaatsen: New York en Karpatië. En Georgina speelt als Vanda eigenlijk twee personages. Ze is de actrice Vanda die, te laat, komt binnenvallen in het New Yorkse theater waar de auditie wordt gehouden. Ze is brutaal, wat dommig en een tikje ordinair. En ze speelt de rol waarvoor ze in het stuk auditie komt doen: die van adellijke, achttiende-eeuwse dame.

„Een deftige dame in een salon spelen, is makkelijk”, zegt ze. Makkelijker dan de losse, brutale Vanda. „Ze is een tikje ordinair. Choqueert graag. Al die dingen waar ik zelf om bekend sta. Heel geraffineerd doet ze zich dommer voor dan ze is. Ze wordt graag onderschat. Dat snap ik wel.” Want dan kan ze alleen maar meevallen? „Het is prettig om te verbazen.” Het is makkelijker om een compleet ander persoon te spelen? Ze knikt. „Ik zou het stuk zelf eens willen zien”, zegt ze. „Gewoon om te weten hoe een kijker het ervaart.” Dan zou ze ook zien, zeg ik, dat ze heel zelfverzekerd is zolang ze in haar rol zit. Ze staat, halfnaakt in een korset, vooraan op het podium de zaal in te loeien alsof het niks is. Maar kijk, kijk. Zodra het doek is gevallen en ze haar applaus in ontvangst neemt, ziet ze dan zelf ook dat ze terug verandert in haar ongemakkelijke zelf? Verlegen, afwerend, alsof ze niet weet hoe snel ze van het podium weg moet komen. Of is de Georgina die het publiek dan ziet óók een rol? Ze denkt hardop een paar losse woorden. Misschien. Onbewust. Verlegen. En dan volgt een zin: „Het is een manier om mensen mild over je laten oordelen.”

Maar, zegt ze daarna, het is ook een gek moment. „Het is zo’n donker stuk. Sferisch, dreigende muziek, onweer. Twee uur zit ik in een capsule. Tijdens het spelen heb ik ook wel twijfels, maar die wuif ik weg. De groeten, nu even geen tijd voor. Maar ineens sta je als jezelf oog in oog met het publiek.” Het is makkelijker om niet Georgina te zijn dan wel? Nou, makkelijk, makkelijk. Zo makkelijk vindt ze het nou ook weer niet. Er zijn acteurs, zegt ze, die het toneel op moeten. „Die drang heb ik niet.” Integendeel. „Geweldig stuk, hoor, Venus. Witty, scherp, spannende vrouwenrol. Maar waarom wou ik dit ook alweer?” Ze is een paar paniekaanvallen verder, vooral zo rondom de première. „Inmiddels vind ik het leuk.”

Tandje erbij

„Er wordt niet zo vaak heel veel van me gevraagd”, zegt ze. Wat zegt ze nou? Ze zegt het niet precies zo, althans niet in een volzin, maar acteren in romantische komedies vindt ze niet zo moeilijk. Ze speelde Janet in de film Costa, Lena in de comedyserie ’t Schaep met de 5 pooten, Mara in Hartenstrijd. „Komedie is doseren, balanceren, maar blijkbaar gaat me dat goed af.” Haar rol als Anne de Koning in de film De Surprise, waarvoor ze een Kalf ontving, was een stuk ingewikkelder. Toneel is nog een tandje erbij. Maar schrijven… „Verschrikkelijk. Soms ben ik trots, staan er mooie zinnen in. Maar ook… Genade. Knieval. Zelfverwijt. Vergeef me.”

Soms ben ik trots, staan er mooie zinnen in. Maar ook… Genade. Knieval. Zelfverwijt. Vergeef me.

De columns waarin ze haar eigen hoofd bemonstert zijn haar „lievelings”. „Gek genoeg ontstaan die juist als ik voor een leeg scherm zit. Ik vind niks, ik beleef niks, ik ontmoet niemand, ik voel me niet goed.” Dan richt ze ten einde raad haar blik naar binnen en laat de lezer mee gluren onder het stof en puin waar bijna alle dagen van de week liggen, veel zware nachten en een kleverig stukje zondagmiddag. „Ik schrijf nooit: ik voel me niet lekker, ik ben gedeprimeerd, zo onzeker…” Maar dat is ze dan allemaal wel? „Jaah.” Waarom? „Ooh, zoveel redenen. Wintermaanden die lang duren… Van alles.” Ze herhaalt het nog eens. „Gedepimeerd klinkt zo erg. Laat ik zeggen neerslachtig. Ernstig neerslachtig.” Maar niet zo ernstig dat ze niks meer kan? „Het kost heel veel energie, maar je kunt er prima bij werken.” Heeft ze die sombere stemming soms nodig? „O nee, ik kan heel goed zonder. Nu bijvoorbeeld. Ik voel me nu heel goed.”

Haar bovenkamer mag geopend zijn voor publiek, echt persoonlijk wordt ze niet. Geen glimp van het dagelijks leven dat ze leidt. Niks over haar dochter, steevast aangeduid als ‘de Korte’, geen inkijkje in haar bestaan als bekend actrice. Een heel enkel keertje beschrijft ze een scène waarin ze met haar filmouders aan tafel zit, om daarna vast te stellen dat ze zelf nog nooit met haar vader én moeder aan een en dezelfde tafel heeft gezeten. „Ik vermijd het te persoonlijk te worden. Wat ik schrijf, is niet te quoten. Ik wil mezelf niet teruglezen op Nu.nl.”

Allenig kind

Nee, nee, nee, niet, nee, echt niet. Ze schudt langdurig haar hoofd. „We gaan het er niet over hebben.” Niet over haar „rommelige” jeugd. Dochter van een half-Duitse moeder en een half-Indonesische vader. „Ik was er altijd van overtuigd dat ik geadopteerd was.” Ze was een allenig kind, zegt ze. En lacht. Haar moeder had in overleg met het Riagg bedacht dat ze op een teamsport moest. Om wat socialer te worden, minder op zichzelf. „Ik wilde op rugby en anders op ijshockey. Maar dat mocht dan weer niet.” Dus ging ze op musicalles bij Harlekijn in Zoetermeer en later naar jeugdtheaterschool Rabarber in Den Haag. Op haar zestiende kwam ze, alleen, naar Amsterdam en op haar achttiende had ze haar eerste rol in een dagelijkse soapserie.

„Sinds ik zelf een dochter heb…”, zegt ze. Odilia van zes woont van woensdag tot en met zaterdag bij haar, de andere dagen is ze bij haar vader, trompettist Rob van der Wouw. „Nu zij er is, moet ik wel deelnemen aan sociale dingen. Praten met vreemde mensen. Om me heen kijken in plaats van naar de grond.” Elke poging verder te vragen naar haar verleden wimpelt ze af. Twee afwerende handen. Heel ingewikkeld. Moeilijk. Gecompliceerd. Gaat ze er ooit zelf iets over opschrijven? „Ongetwijfeld.” Ze opent haar vintage Chanel-tasje en rommelt erin. Stift haar lippen, poedert haar neus. „Maar als er ooit een biografie over mij komt, laat ik hem schrijven door mijn kat.”