Recensie

Vol van Londen en de liefde

Eimear McBride

De romans van deze Ierse schrijver zitten vol mooie neologismen en geven je het gevoel dat je zelf de verteller bent, zo dicht nader je ze. Helaas raakt deze tweede soms wat in onbalans.

Je kunt bij het lezen van De mindere goden, de tweede roman van Eimear McBride (1976), vermoeden dat de hoofdpersoon uit haar eerste boek (Een meisje is maar half af – over een meisje dat haar broer verliest aan een hersentumor) ieder moment haar intrede kan doen. Oneerlijke vergelijkingsdrang wellicht, maar geheel uit de lucht vallen komt die niet: de Ierse McBride, die voor haar terecht geroemde eersteling verschillende prijzen won, heeft een kenmerkende schrijfstijl waar je, als je er niet op bedacht bent, aan moet wennen en die vaak vergeleken wordt met de stream of consciousness die James Joyce toepaste in Ulysses. Haar twee romans zijn haast te beschouwen als prozagedichten, met mooie neologismen en het vermogen je bijna de vertellers te wanen, zo dicht nader je ze – ook in de vertaling van Gerda Baardman.

‘Lang langzaam dan de sluipdichte trap op. Wijs de kamer van mijn hospita aan en doe van ssst.’

‘Sluipdicht’, wat een vondst! En het ritme van de zin, en het stille ervan terwijl het ook stil moet zijn. Je kunt het koket vinden, die taal waarin ‘in het avondbed’ gelegen wordt, en waarin ‘het donker overspoelt’, maar ook geweldig – zou er iets tussenin zitten?

In De mindere goden is een (iets) luchtiger verteller aan het woord dan in Een meisje is maar half af, namelijk Eily, een jonge vrouw die in tegenstelling tot haar voorganger een naam heeft. En hoop heeft ze ook, op een heerlijk nieuw bestaan in Londen waar ze vanuit Ierland naartoe is verhuisd om een acteeropleiding te volgen. Daar hoort ze van een docent dat je je moet verzetten ‘tegen kleinburgerlijke zwijnen die ons het liefst in de keukens van het leven zouden opsluiten.’ Ze neemt het advies ter harte. Aanvankelijk bleu leert ze niet alleen de stad, maar ook de liefde kennen – en hoe! In dat wonderlijke proza (‘...en Iers mezelf los van wat ik het liefste wil’) ontvouwt zich een intense liefdesgeschiedenis tussen de jonge vrouw en de twintig jaar oudere acteur Stephen. Hij maakt haar wegwijs in de liefde en daarmee, misschien wel bovenal, in haar seksualiteit.

McBride kan wat weinig andere auteurs lukt: schrijven over erotiek, zonder dat ze daarmee haar doel voorbijschiet en vervalt in viezeboekjesproza. Het is de seks die een communicatiemiddel vormt tussen Stephen en Eily, het is de seks die zaken verheldert die ze elkaar aanvankelijk niet kunnen of durven te vertellen, maar die ze wel van elkaar moeten of willen weten.

Het zijn mooie passages in de roman, hoewel wel erg frequent. Daar gaan ze weer. Hard en vies, zacht en treurig, dronken en euforisch, op het bed, op een stoel, op een ander bed – zoals het vaak gaat ja, bij verse geliefden, dat wel. Die veelvuldige beschrijvingen van de escapades van een stel hoeven ook niet per se kwalijk te zijn – zie dichter bij huis ook Gustaaf Peeks Godin, Held – maar het moet je liggen. McBride relativeert niets in haar proza, zoals een wild verliefde of iemand met gebroken hart dat ook niet kan.

Wat misschien wel mooier is dan al dat geneuk, is de eindeloze liefde die Eily al onmiddellijk voor Londen opvat. De goorheid, de drukte, maar ook de verlaten nachten en de treurige straten, alles omarmt ze. En in die stad, omringd door vrienden en een hospita die zo vervelend blijkt dat het grappig is – door Stephen ‘de hospita interrupta’ gedoopt – wordt ze zichzelf.

Het is niet alleen Eily, die je leert kennen. Ook Stephen, een getroebleerd maar ook humoristisch sujet, wordt door McBride tot het bot ontleed. Hij krijgt zelfs het woord, in een ellenlange monoloog waarin hij zijn turbulente levensverhaal uit de doeken doet. Waarbij ‘turbulent’ een eufemisme is; zijn geschiedenis is zo lang en tragisch en zijn bewoordingen zo letterlijk (‘Jezus! Die eenzaamheid. En al die misselijkmakende leugens waar alleen mijn eigen misselijkmakende leugens nog overheen konden’), dat het, naast eindeloos, ook kitschy aan gaat doen. We snappen het: je bent gevormd door je ellende, gekneed door je achtergrond, maar misschien hoeft dat niet eenenzeventig(!) pagina’s in beslag te nemen. Zonde. Daarmee raakt deze in potentie indrukwekkende roman in onbalans.