Cultuur

Interview

Interview

Peter de Krom

‘Van swipen leren kinderen helemaal niets’

Digitale kinderen

Smartphones, laptops en tablets zijn al lang niet meer weg te denken. Hoe schadelijk zijn ze en hoe moeten ouders ermee omgaan? Vraaggesprek met de Duitse psychiater Manfred Spitzer, auteur van het boek Digiziek, over de fatale invloed van beeldschermen.

In het nieuwe boek van Manfred Spitzer, Digiziek, staat een foto van een dikwangige baby die lui liggend in zijn leunstoeltje naar een pal voor zijn gezichtje gemonteerde tablet staart.

Een huiveringwekkend beeld, schrijft u over de baby voor de tablet.

„Ja, want wat leert dit kind ervan? Swipen over een scherm. En daar leert het dus helemaal niets van. Kleine kinderen leren door dingen vast te pakken, te betasten. Op dat moment worden niet alleen de hersencentra voor het zien geactiveerd, maar ook die voor beweging en gevoel. Er worden verbindingen aangelegd die essentieel zijn voor het onthouden en het latere nadenken.”

Volgens u is swipen het domste wat je een baby kunt laten doen.

„Omdat er geen enkele samenhang is tussen het aanraken van het beeldscherm en de plaatjes die tevoorschijn worden getoverd. Welke zinvolle informatie kunnen de hersenen halen uit veegervaringen? Dat alles wat ze zien hetzelfde aanvoelt. En dat alles meteen verkrijgbaar en oproepbaar is.”

Ouders denken dat ze er iets goeds mee doen voor hun kinderen.

„In Amerika zijn die tablets een hit, meer dan de helft van de nuljarigen heeft er een. Maar ook in Duitsland zijn er pedagogen die het gebruik van tablets aanmoedigen. Ze juichen dat baby’s zonder begeleiding van hun ouders spelenderwijs de wereld kunnen verkennen. Het is zo ontzettend dom. Kinderen hebben de werkelijkheid nodig om zich te ontwikkelen, andere mensen. Ze leren, dat is al heel lang bekend, ook niet praten van een beeldscherm.”

Lees meer ervaringen en adviezen over dit thema: ‘Geef vooral zelf het goede voorbeeld’

Manfred Spitzer is een Duitse psychiater slash psycholoog slash filosoof – hij studeerde drie keer af en promoveerde twee keer – die met zijn vorige boek, Digitale dementie uit 2012 al behoorlijk wat opschudding veroorzaakte. Dat boek ging ook over de funeste invloed van computers (en televisie) op concentratievermogen, taalverwerving en sociale vaardigheden van kinderen. De reacties waren woedend – wat was dit voor een achterlijke professor die zich tegen de vooruitgang keerde – maar het boek werd een bestseller. De recensies van lezers op amazon.de zijn inmiddels bijna allemaal positief.

In Digiziek is Spitzer nog veel scherper. Er is, zegt hij, alleen maar meer bekend geworden over de ziekmakende effecten van de digitalisering op kinderen. Intussen gaat de digitalisering in rap tempo door. In Duitsland (en Nederland) heeft de helft van de kinderen onder de tien nu een smartphone. Daarboven: bijna allemaal. Zeven of acht uur beeldschermen per dag is normaal geworden.

Spitzer bladert naar pagina 194 van zijn boek – we zitten in zijn werkkamer van de psychiatrische universiteitskliniek in Ulm, waar hij hoogleraar en medisch directeur is – en wijst naar de twee series tekeningetjes, gemaakt door vijfjarigen – de ene serie door kinderen die weinig achter een beeldscherm zaten, de andere door kinderen die het dagelijks drie uur of meer deden. Ze kregen allemaal de opdracht om een poppetje te tekenen. De poppetjes van de eerste groep hebben vingers, voeten, oren, ogen, een neus en een mond, haar op hun hoofd. Soms hebben ze zelfs kleren aan. De poppetjes van de andere groep bestaan zonder uitzondering uit een rondje voor het lichaam en een rondje voor het hoofd, met strepen voor de armen en de benen.

Wat was er met die tweede groep kinderen gebeurd?

„O, heel eenvoudig, ze hebben geen geoefende hand. En om een poppetje te tekenen moet je er een beeld van in je hoofd hebben en kunnen denken: dit wil ik op papier hebben. Bij die tweede groep zijn de structuren in de hersenen die je daarvoor nodig hebt niet ontwikkeld.”

U schrijft dat die structuren nooit meer optimaal kunnen worden als ze niet op het juiste moment zijn aangelegd.

„Een lui oog dat niet voor het vijfde levensjaar gestimuleerd wordt, wordt blind. De verbindingen in de hersenen om ermee te zien zijn niet op tijd tot ontwikkeling gekomen. Hetzelfde geldt voor taal. Tot je dertiende kun je leren spreken, daarna is het te laat. De delen van de hersenen waarin het denken en het willen gebeurt, het plannen en evalueren en handelen, die ontwikkelen zich langer, tot je dertigste. Maar de piek ligt voor je tiende levensjaar en na het twintigste neemt het snel af.”

Hoe meer je geleerd hebt, schrijft u, hoe beter je nieuwe informatie kunt opnemen.

„Als je een tweede taal leert, ontwikkelt je taalcentrum zich zo dat je sneller een derde taal zult leren. Hetzelfde geldt voor wiskunde, voor het omgaan met een muziekinstrument, voor alles wat je met aandacht doet. En het is niet zo dat het brein ooit vol raakt, wat mensen wel denken. Met honderd miljard hersencellen die onderling soms wel duizenden verbindingen kunnen maken raakt het brein nooit vol. Daaruit volgt dat je informatieopslag niet hoeft uit te besteden aan internet. Dat wordt wel gezegd hè, dat je geen parate kennis meer nodig hebt, alles is te vinden op internet. Complete nonsens.”

Daarom bent u er zo op tegen dat klaslokalen worden voorzien van wifi?

„Een van mijn zoons, hij was veertien, moest op school een presentatie houden. Hij kwam thuis en vertelde dat hij het hoogste cijfer had gehaald. ‘En’, zei hij, ‘ik had geen idee waar ik over praatte.’ Hij had alles van wikipedia gehaald. Logisch, want de deelstaat Baden-Württemberg heeft tien jaar geleden als regel gesteld dat scholieren bij hun presentaties digitale media moeten gebruiken.

Met copy-paste gebeurt er niets in je hoofd

Dus niet een boek lezen, of twee boeken, en aantekeningen maken en dan een verhaal vertellen. Nee, google en powerpoint. Maar met copy-paste gebeurt er niets in je hoofd. Erger: je pretendeert dat je iets weet terwijl je niets weet. En het wordt nog beloond ook.”

De somberste hoofdstukken in uw boek gaan over het smartphonegebruik van kinderen en pubers.

„Uit al het onderzoek dat ernaar gedaan wordt blijkt dat ze er verslaafd aan raken. Steeds maar weer kijken of er misschien een leuk berichtje is. En je weet nooit wanneer, dus je blijft kijken. Kinderen worden er verveeld en willoos van, en uiteindelijk depressief. Het leidt af van hun huiswerk, ze leren minder, ze slapen minder, ze bewegen minder, ze worden dikker en ervaren meer stress. En dan heb ik het nog niet eens over het pesten via de smartphone.”

U heeft zelf zes kinderen.

„Vijf uit mijn eerste huwelijk en een uit mijn tweede.”

Is dat de Anna aan wie u uw boek heeft opgedragen?

„Ja. Ze is zeven en ze woont bij haar moeder in Berlijn. De andere kinderen zijn volwassen.”

Dus die zijn opgegroeid zonder smartphone.

„Opvoeden was toen nog redelijk eenvoudig. We hadden één kleine televisie, maar toen ze voortdurend ruzie kregen over wie wanneer mocht kijken, hebben we hem weggedaan. We hadden ook één kleine computer, die stond in het minst gezellige deel van het huis. Daarmee mailden ze met hun vrienden in Amerika – we hebben daar drie keer een periode gewoond – en dat was prima. Ik zei wel: als jullie gaan gamen, is dat ding ook weg. Ze hebben het twee keer geprobeerd en daarna nooit weer. Nu zijn ze me er dankbaar voor.”

Moeten ouders smartphones verbieden?

„Niet kopen, zeg ik. Als je ze niet koopt, hoef je ook niks te verbieden.”

En als hun kinderen zich dan een outcast voelen op school?

„Je kunt ze uitleggen wat de nadelen zijn. En ouders moeten opvoeden. Zíj bepalen.”

De praktijk is vaak anders.

„Een moeder mailde me dat ze aan het hoofd van de school had voorgesteld om smartphones te verbieden, dat zou het voor alle ouders en kinderen gemakkelijker maken. Het hoofd zei: nee. Te ingewikkeld en kinderen moeten ermee leren omgaan – dat is dan het argument. Toen is die moeder het zelf gaan regelen met de andere ouders, iedereen deed mee. De kinderen waren blij en opgelucht.”

U beschrijft ook het experiment met de gymnasiumbrugklas waarin de leerlingen zelf besluiten een maand zonder smartphone te leven.

„De kinderen sliepen beter, praatten meer, waren meer ontspannen en vaak ook beter gehumeurd. Op die school wordt nu een experiment gedaan waar alle klassen aan meedoen. Ik kan zo al voorspellen dat de leerresultaten omhoog zullen gaan.”