‘Rare Indiaantjes’

Boekrecensie Een Nederlands echtpaar leefde in 1911 bij de Zwartvoetindianen. De vrouw, Willy Uhlenbeck, hield een dagboek bij. Over rare gebruiken, en een steeds westerse levensstijl.

‘Zijn oogen staren: hij maakt veel bewegingen met beide handen. Hij vertelt van vroeger, hoe hij op jacht zijnde, meende een buffel te zien; behoedzaam naderbij sluipend bleek het een steen te zijn. Met de diepste ernst deelt hij alles mede.”

Willy Uhlenbeck houdt in 1911 een dagboek bij, als ze samen met haar man, de hoogleraar C.C. Uhlenbeck, drie maanden te gast is bij de Blackfeet (Zwartvoetindianen) in Montana. C.C. bestudeert daar de taal van de Blackfeet.

In 1910 schrijft de hoogleraar aan een oud-student: „Maar een universiteit, welke ook, is muf. (…) Als ik fortuin had, zoude ik er niet aan denken mij in een dergelijk instituut op te sluiten. Dan zou ik altijd field-work willen doen, levende taal opvangende uit den mond van levende menschen.”

Hoe is dat, een welgesteld Leids echtpaar embedded bij een groep arme semi-nomadische Indianen? Het dagboek van Willy, dat nu, honderd jaar later, in boekvorm is verschenen, geeft daar een beeld van. Het blijkt een fascinerend tijdsdocument, met alle charmes en beperkingen van het genre: dit dagboek was niet bedoeld voor publicatie. Het bevat allerlei prachtige details, is spontaan geschreven en tamelijk onbevangen. Soms zijn er uitvoerige beschrijvingen van dagen waarop niks bijzonders gebeurde. In 2005 verscheen er al een Engelse vertaling van deze tekst, met daarbij ook alle verhalen die C.C. Uhlenbeck in het reservaat optekende. Die ontbreken in de Nederlandse editie. Dat is jammer, want bijvoorbeeld het verhaal over de ‘buffel’ (eigenlijk een bizon) die een steen bleek te zijn, is veel indrukwekkender dan de laconieke aantekening die Willy er in haar dagboek aan wijdt, suggereert.

Tussen de Uhlenbecks en de Blackfeet blijkt de belangstelling wederzijds. En de de aanwezigheid van het echtpaar vormt ook een bron van amusement voor de Indianen. Er komen de hele dag mensen bij hen langs, mensen die ze al kennen, maar ook onbekenden. Die willen graag dat de professor de verhalen voorleest die hij heeft opgetekend (een jaar eerder was hij daar ook al). En dan moeten ze lachen. Dat voorlezen is voor hen iets nieuws.

Uhlenbeck verzamelt zijn taalmateriaal het liefst in de vorm van verhalen over hoe het vroeger was. Hij heeft daar een tweetalige Indiaan voor ingehuurd, die zelf veel verhalen kent, maar ook kan optreden als vertaler wanneer anderen vertellen. De professor heeft drie maanden de tijd en wil daar zo efficiënt mogelijk gebruik van maken. Maar hij stuit voortdurend op de voor Hollandse begrippen wel erg losse omgangsvormen in die Zwartvoetindianengemeenschap.

Willy noemt dat „het grillige, het onberekenbare van ons prairieleven”. Ze schrijft: „Je tent is vol bezoekers, je verheugt je over hun tegenwoordigheid, en weg zijn alle indianen weer. Als een wervelwind komen en gaan ze.”

Afspraken maken gaat slecht. Mensen die zich als informant hebben aangeboden, komen uren te laat zonder excuses te maken. Of ze komen helemaal niet opdagen. „Van John Tatsey, die onze gast zou zijn, hebben wij niets gezien. Rare Indiaantjes toch. Je inviteert iemand, de uitnoodiging wordt aangenomen, maar je gast blijft weg.”

Het echtpaar is zich er maar nauwelijks van bewust dat het in een groot deel van de wereld onbeleefd is om te weigeren: je zegt nooit nee, altijd ja, en vervolgens blijf je weg. En sorry zeggen doen de Indianen ook niet. Als Willy aan een van hen vraagt hoe dat zit, is het antwoord: als iemand te laat komt, neem je dat voor lief, of je baalt ervan en dan laat je de ander daarna in de kou staan.

En soms komen de Indianen op de meest ongelegen momenten: „Wij zijn nog aan ons ochtendtoilet bezig, als Morning Eagle alweer komt.” Want er zijn ook Indianen die maar al te graag langskomen en steeds weer een nieuw verhaal hebben voor de professor.

Dramatische wending

Dan is er opeens een dramatische wending: de ingehuurde tweetalige Indiaan verliest in een paar dagen tijd zowel zijn moeder als zijn oudste dochter. Het echtpaar weet niet goed hoe ze daarmee om moeten gaan. Ze zijn niet uitgenodigd voor de begrafenis, hebben het gevoel dat ze daar ook niet op hun plaats zijn en blijven thuis. Naderhand vernemen ze dat bij de Blackfeet niemand formeel wordt uitgenodigd voor de begrafenis. Iedereen kan gewoon komen, en komt ook.

Willy maakt foto’s van de Blackfeet. Een paar zijn in het dagboek afgedrukt. Fraaie portretfoto’s, je kunt goed zien dat deze native Americans in een overgangsfase zitten. Bear Chief, een Blackfoot van de oude stempel, laat zich graag in vol Indianen-ornaat fotograferen. Veel anderen zijn al westers-Amerikaans gekleed.

Vijfentwintig jaar eerder was Bear Chief, als we zijn verhalen mogen geloven, nog druk in de weer met het jagen op bizons, het stelen van paarden en het uitvechten van conflicten met naburige clans. Nu woont hij samen met de anderen in een „reservaat”. Het is een uitgestrekte vlakte, waar de bizons inmiddels verdwenen zijn.

Bij de Blackfeet in Montana in 1911. Dagboek van Willy Uhlenbeck-Melchior. Uitgeverij Ginkgo, 282 blz. Prijs: € 25,00.