Met Trump bracht de krant Amerika terecht dichterbij

Wat wil Trump eigenlijk, vroeg NRC zich vorige week af, precies een week voor zijn overrompelende zege, boven twee pagina’s met een overzicht van zijn en Clintons standpunten.

Dat was net op tijd om ten minste één abonnee te bedienen die bij mij had geklaagd dat de krant allerlei negatiefs beweerde over de kandidaat van de trotse belastingontduiking, het beledigen van minderheden, het hekelen van zijn opponent als een crimineel, de aankondiging dat hij een verlies niet zou accepteren en de vaststelling dat vrouwen zich graag door hem lieten betasten, maar niet even uitlegde wat zijn programma nu eigenlijk inhield. Ja, daar ben je dan ook echt benieuwd naar.

Het overzicht wás nuttig, maar toch ook bijna een gotspe in een campagne die, aldus columnist Frank Bruni van The New York Times werd beheerst door polarisatie, walging en woede.

Hoe moet je daarover berichten? Volgens de lezer die mij schreef heeft NRC Trump „nooit behandeld als (politiek) verschijnsel, maar altijd als gevaar”. Hij ziet zelf in Trumps zege juist een hoopvol einde aan overspannen Verlichtings-illusies – ook geen kleine woorden.

Eerst de kwantiteit. Vier jaar geleden had ik reserves bij de uitbundige en soms feestelijke aanpak (‘NRC goes USA‘) van de krant en vroeg ik me af of die ook bij Duitse verkiezingen zou gelden. Maar dit keer was die grote aandacht volkomen terecht. Dit waren voor de verandering nu eens echt historische verkiezingen. Een explosie van onbehagen onder een overwegend wit electoraat, dat wraak neemt op het ‘politiek correcte’ establishment door een onwaarschijnlijke, gesmade buitenstaander aan de macht te helpen.

Dan de kwaliteit. In Amerika heeft Trumps overwinning een diepe schok veroorzaakt bij gevestigde media die eerder (televisie voorop) geen genoeg van hem konden krijgen. Waarom hebben we dit niet zien aankomen? De parallellen met het handenwringen in de Nederlandse media na de opkomst van Pim Fortuyn zijn frappant. Margaret Sullivan, oud-ombudsvrouw van The New York Times, gaf een antwoord in een column die NRC afdrukte: journalisten namen Trump met al zijn grootspraak en bluf letterlijk, maar niet serieus; zijn electoraat deed precies het omgekeerde. Daarbij speelt hun achtergrond een rol (stads, ‘progressief’, hoger opgeleid) maar ook de eisen van het ambacht zelf: journalisten houden van scepsis (‘eerst zien, dan geloven’), van harde feiten en, o ja, ook erg van nogal zachtere, de opiniepeilingen dus.

In die professionele logica had Trump het, toen hij eenmaal ‘klassiek’ in opspraak was geraakt door zijn uitspraken, nooit meer kunnen redden. Ook NRC dacht dat, getuige de apocalyptische voorpaginakop Trump wil Amerikaanse democratie meeslepen in zijn val (20 oktober). Maar het pussy grijpen en andere misstappen maakten zijn electoraat niets uit, ook niet het vrouwelijke deel ervan. Sterker, de opwinding erover was olie op het vuur van de man die zich namens hen opwierp als slachtoffer, wreker en redder tegelijk.

Heeft de krant Trump onderschat? Nee, dat niet. Sinds begin dit jaar las ik tientallen prima stukken over zijn opkomst door correspondent Guus Valk en anderen. Kritisch, soms verbaasd of geschokt, gelet op de dolzinnige campagne – maar zakelijk en informatief.

Maar zijn aantrekkingskracht bleek wel veel breder dan verwacht. Valk typeerde Trumps achterban als „lager opgeleide witte kiezers die geloven dat zij de verliezers zijn van Obama’s Amerika”, vooral in de (voormalige) arbeidersklasse. Exitpolls tonen nu aan dat hij ook scoorde bij de witte middenklasse en hogere inkomens (en het zelfs beter dan gedacht deed bij latino’s en jongeren). Kortom, Trump boorde onder vooral oudere witte Amerikanen een diep reservoir aan van economische teleurstelling, maatschappelijke onvrede en etnisch ressentiment, in een egomane stijl die meer weg had van reality tv dan van partijpolitiek. Zonder helder programma, maar met een consistente boodschap: voor het „vergeten Amerika”, tegen de liberale elite.

Krant en site zetten dat direct na de uitslag, op woensdag en donderdag, allemaal indrukwekkend op een rij, vond ik, met heldere pagina’s vol analyses en vragen (mét antwoorden). Dat was geen hekelen van de vijand, maar gewoon uitstekende dagbladjournalistiek.

Over de opinies dit: traditioneel is het verwijt dat Nederlandse media sympathiseren met de Democraat, en de Republikein voorstellen als dom, primitief, of gewoon oorlogszuchtig. Maar Trump is een geval apart, een politieke amateur die niet alleen de Democraten, maar ook zijn eigen Republikeinen verwoestte.

De opiniepagina’s boden dan ook al maanden een gemengd beeld. Een aanklacht van Robert Kagan, die in Trump een eigentijdse fascist ziet, niet als enige. Maar ook relativerende geluiden van diverse Nederlandse ‘Amerika-kenners’. Charles Groenhuijsen gaf het colijneske advies „relax en geen paniek”. Frans Verhagen hoopte dat door Trumps succes „de prioriteiten de juiste kant op gaan”, naar de economie.

NRC koos voor Clinton, maar signaleerde al snel haar zwakke plekken: een hang naar geheimzinnigheid, haar denigrerende opmerking over Trumps kiezers als voor de helft bestaande uit „sneue types” en het geringe enthousiasme dat ze zelfs bij haar eigen achterban wist op te roepen. Zij bood de status quo, hij beloofde opstand.

Zo bezien waren deze verkiezingen nu eens niet ‘typisch’ Amerikaans, in de comfortabele zin van: lekker gek maar veilig ver weg. Integendeel, Trump wordt geïnspireerd door het „rauwe” Europese populisme, zei historicus Rick Perlstein tegen Guus Valk, inclusief het verlangen naar een sterke, beschermende overheid voor de eigen groep.

Doet ook dat denken aan anderen, dichterbij huis? Absoluut.

Trump, de revolte-politicus, is geen exotisch verschijnsel.