Recensie

Grimmige en waarachtige Jephtha

Handels concertante muziekdrama veranderde in handen van regisseur Claus Guth in volbloed opera.

De ‘Jephtha' Foto Martin Walz

‘It must be so’, klinken de eerste woorden in Handels Jephtha. Ze zetten een keten gebeurtenissen in gang die uitloopt op een gruwelijk mensenoffer. Die woorden zijn fysiek aanwezig in het decor, als manshoge letters, in verschillende configuraties. Must it be so?

Jephtha – volgens Richteren 11 een „dapper held”, maar ook „de zoon van een hoer” – leeft jarenlang in ballingschap in de woestijn, tot zijn broer hem smeekt het volk Israël te leiden in de strijd tegen de Ammonieten. Jephtha stemt toe en eist de troon op. Daarbij zweert hij een dure eed: na een overwinning zal hij het eerste wezen dat hij bij thuiskomst ziet offeren. Dat blijkt zijn dochter.

Handels concertante muziekdrama veranderde in handen van regisseur Claus Guth in volbloed opera. De prachtige, maar statische koren kregen een make-over tot effectieve actiescènes. En de voortekenen zijn overal: mysterieuze bloedvlekken, raven, voorspellende dromen van Jephtha’s vrouw.

De tekst gaat verder na de video

De kracht van Guths regie (die vorig seizoen indruk maakte met een duistere Don Giovanni) schuilt in een psychologisch waarachtige en steeds verrassend vormgegeven focus op de personages. Dus keert Jephtha terug door een Dalí-achtige deur die eenzaam in de woestijn staat, geflankeerd door een koor van doodgravers. De raadselachtige berusting van Iphis in haar lot krijgt reliëf door haar weifelende, verwijtende lichaamstaal.

Godvrezende jubelkoor

De Jephtha van tenor Richard Croft is complex en geloofwaardig. Sopraan Anna Prohaska schittert als het zonnige, naïeve middelpunt Iphis, vermalen door krachten die buiten haar liggen – ze begint in saffraangeel en eindigt ziekenhuisbleek. De geweldige countertenor Bejun Mehta geeft haar verliefde, bedeesde verloofde Hamor kleur. Dirigent Ivor Bolton leidde gedecideerd en vlotjes, maar bood het koor steeds ruimte om te stralen.

Waar Jephtha zijn dochter in de Bijbel daadwerkelijk offert, koos Handels librettist voor een deus ex machina: een engel intervenieert met de boodschap dat Iphis haar leven aan de Heer moet wijden in het klooster. Minder bloederig, maar dramaturgisch wat zwak.

Guth lost dat op met een bijzonder gelaagd slot, waarin de engel een geïnspireerde stem uit het koor is (al krijgt ze later wel echt vleugels). Maar wie zijn die geheimediensttypes die ineens overal opduiken en de protagonisten rondduwen als kampbewaarders? Dit unheimischebeeld van een stille macht die het leven bestiert werpt een grimmige sluier over het ‘happy end’. Het afsluitende godvrezende jubelkoor klinkt ronduit cynisch: de broers gebrouilleerd, de moeder des duivels, de verloofde ontroostbaar, en Iphis zelf, uit het volle leven gerukt, die woest het dons uit haar sanatoriumkussen plukt. Als het zó moest zijn, dan is er iets grondig mis met de wereld.