Interview

In veel gevallen is borderline heel goed te genezen

Psychologie

In therapieën doorleven borderlinepatiënten hun verlatingsangst die in hun jeugd is ontstaan. Zo leren ze hun stress en emoties te reguleren.

illustratie arjen born

Je bent met je nieuwe geliefde naar de film geweest. Hand in hand lopen jullie na afloop naar buiten. Smoorverliefd. Je partner zoent je op je wang, en fluistert in je oor: „Jouw huis of het mijne?”

„Nou”, zeg je, „eigenlijk moet ik weer eens een nachtje alleen slapen. Hoe jammer ook. Ik heb morgen een belangrijke vergadering en…”

IJskoude blik. „Zeg dan meteen dat je me niet meer wilt. Weet je wat? Jij je zin. Het is uit.”

Verward fiets je naar huis. In bed blijf je maar voor je zien hoe je geliefde razend wegstormde. Je hebt toch écht niets raars gezegd? Dan gaat de telefoon. Gehuil. „Het spijt me zo. Ik meende het niet. Ik wil je niet kwijt. Ik voel me zo eenzaam zonder jou. Kun je alsjeblieft nog even langskomen? Ik ben zo bang.”

Onredelijk gedrag? Manipulatieve aanstellerij? Of oprechte radeloosheid? De wegstormende geliefde uit bovenstaand scenario heeft BPD, oftewel borderline personality disorder. Een stoornis met een negatief imago. Op internet wordt de term onder meer gelijkgesteld aan ‘compleet geschift’, ‘onberekenbaar’, ‘suïcidaal’ en ‘gestoorde chicks’. En bovenal: ‘hopeloos’. Want borderline is een stoornis waar je je leven lang niet meer vanaf komt, was tot eind vorige eeuw de opinie. Zelfs psychotherapeuten werden soms radeloos van BPD-patiënten: wat moet je met iemand die last heeft van enorme stemmingswisselingen, en net zo intens boos of bedroefd kan reageren als een kind van vier?

Maar zo uitzichtloos is de stoornis allang niet meer. Borderline blijkt in veel gevallen wel degelijk te genezen, en goed ook. Er zijn vier therapieën die tegenwoordig, na resultaten uit onderzoek en de praktijk, als effectief worden beschouwd. Zo bleek in 2006 uit onderzoek dat met de zogeheten schematherapie maar liefst 52 procent binnen drie jaar van de stoornis af is, en ruim 66 procent sterk verminderde klachten heeft. Uit onderzoek dat nu loopt blijkt dat ook een behandeltraject van twee jaar effectief is.

Beide onderzoeken zijn gedaan door hoogleraar klinische psychologie Arnoud Arntz van de Universiteit van Amsterdam. Al twintig jaar bestudeert Arntz de behandeling van mensen met een BPD-stoornis en behandelt hij patiënten. „Ook al in de tijd dat collega’s tegen me zeiden ‘niet aan beginnen, niets aan te doen, iemand met borderline genezen: ‘forget it’”, vertelt Arntz. We spreken elkaar in zijn werkkamer, net na zijn terugkeer van een internationaal congres in Wenen over borderline.

Heftige emoties en onredelijk gedrag vertoont iedereen wel eens. Wanneer is er sprake van borderline?

„Borderline is een persoonlijkheidsstoornis, iets dat in je karakter zit – in tegenstelling tot bijvoorbeeld angststoornissen of depressies, die in principe van tijdelijke aard zijn. Mensen met borderline hebben een instabiel beeld van zichzelf en anderen, en zien dingen en mensen heel zwart-wit: ze kunnen iemand ontzettend ophemelen, en vervolgens gigantisch in die persoon teleurgesteld raken.

„Dat roept dan intense gevoelens van woede, verdriet of radeloosheid op. Dat kan leiden tot impulsieve acties: bijvoorbeeld zelfverwonding, eetbuien of alcoholmisbruik. Of het wegjagen van dierbaren. Juist in intieme relaties komt de stoornis tot uiting – kennissen en collega’s zien vaak vooral een spontaan, creatief persoon, terwijl familieleden, partners en goede vrienden ook de keerzijde ervaren. Mensen met borderline zijn vaak doodsbang om in de steek gelaten te worden en proberen dat koste wat kost te voorkomen. Door te claimen, te dreigen met zelfverwonding, relaties preventief te verbreken. Met als gevolg dat precies gebeurt waar ze zo bang voor zijn: alleen achterblijven.”

Waardoor ontstaat borderline?

„Sommige mensen hebben van nature meer aanleg voor stemmingswisselingen en impulsiviteit dan anderen. Maar bij mensen die borderline ontwikkelen is er meer aan de hand. Zij hebben in hun vroege jeugd een onveilige thuissituatie gehad of een traumatische gebeurtenis meegemaakt, waardoor ze niet ‘veilig gehecht’ zijn geraakt. Als kind zoek je intuïtief zorg en troost bij je verzorgers, je ouders. Maar soms zijn die verzorgers zowel een bron van steun als een bron van gevaar. Veel mensen met borderline zijn in hun jeugd emotioneel, fysiek of seksueel misbruikt – ofwel thuis, ofwel buitenshuis zonder dat ze van hun ouders de juiste support kregen: ‘Heeft meneer de priester aan je gezeten? Dat kan helemaal niet – het is zo’n aardige man.’

„Dat wil niet zeggen dat iedereen met borderline zo’n situatie heeft meegemaakt. Onveilige hechting kan ook op een andere manier ontstaan: als een van de ouders door ziekte lange tijd afwezig is bijvoorbeeld. Hoe dan ook is het een mechanisme, dat is ontstaan voordat het kind kon praten: de verlatingsangst die iemand met borderline in zijn latere leven, in andere relaties, veelal ervaart is een oergevoel, en niet altijd rationeel makkelijk uit te leggen.”

Hoe kun je een stoornis behandelen waarover het lastig praten is?

„Bijvoorbeeld door gebruik te maken van oefeningen die zijn gericht op het ervaren, het bewustworden van je eigen gevoelens – zoals we dat bij schematherapie doen. Een van de eerste keren dat ik een borderlinepatiënte in behandeling had, merkte ik dat ze vond dat ze alle narigheid in haar leven aan zichzelf te wijten had. Toen dacht ik: ze moet voelen dat het niet zo is, niet alleen horen dat het niet haar fout is. Toen ben ik gaan experimenteren met dramatherapie, met het naspelen van bepaalde situaties, en wonder boven wonder had het een positief effect. Korte tijd later kwam ik in contact met Jeffrey Young, de Amerikaanse grondlegger van de schematherapie. In die therapie bleek hij de ervaringsgerichte oefeningen te koppelen aan limited reparenting: als therapeut neem je een soort ouderrol aan, om de patiënten te helpen bij de rijping van hun emotionele ontwikkeling tot volwassenheid.”

Want bij mensen met borderline is die ontwikkeling gestagneerd?

„Op sommige gebieden wel. Schematherapie gaat uit van verschillende modi, die je als mens in je hebt. Zo is er bijvoorbeeld de modus van het kwetsbare kind, van het boze kind, van de veeleisende ouder. In principe heeft ieder mens verschillende modi in zich. We hebben allemaal wel eens een moment van kinderlijk aandoend verdriet of angst, net als een kwetsbaar kind. Of een onredelijke, kinderachtige driftbui. Of een innerlijke stem die ons aanspoort het nóg beter te doen, zoals in de modus van de veeleisende ouder. Maar veel mensen weten die buien beter te reguleren vanuit hun modus van ‘gezonde volwassene’, en hebben bovendien niet zo’n sterke straffende innerlijke stem.

„Mensen met borderline hebben niet goed geleerd om hun eigen stress en emoties te reguleren, en ervaren een enorme paniek op het moment dat ze denken verlaten te worden – dan wordt dat angstige oergevoel uit hun jeugd getriggerd. Voor niemand is het leuk om bang te zijn, maar gezonde mensen raken dan niet compleet over de rooie, omdat ze op een gezonde manier om hulp kunnen vragen. BPD’ers hebben dat niet geleerd, en gaan dan uit radeloosheid vaak over tot hun destructieve acties. Schematherapie zorgt ervoor dat de gezonde volwassene sterker wordt, en dat het kwetsbare kind minder bescherming van het boze kind behoeft. Overigens kun je schematherapie ook toepassen bij andere persoonlijkheidsstoornissen, en bij chronische depressie, angst- en dwangstoornissen en eetstoornissen.”

Wat kunnen familie en vrienden doen voor iemand met borderline?

„Luisteren, een veilige omgeving bieden en grenzen aangeven. Het plotselinge switchen tussen gemoedstoestanden is voor buitenstaanders vaak moeilijk te begrijpen. De neiging is dan groot om te zeggen: ‘Kom op, pak jezelf bij elkaar’ of om je helemaal terug te trekken. Maar mensen met BPD zijn op zo’n moment enorm radeloos en reddeloos, hun emotionele toestand is te vergelijken met een kind van een jaar of drie, en als je als dierbare op zo’n moment het contact verbreekt zal de primaire paniek alleen maar toenemen. Tegelijkertijd is het belangrijk hun autonomie aan te moedigen, en je eigen grenzen te bewaken. Dat kan door duidelijk te zijn: ‘Ik heb nu tien minuten de tijd om met je te bellen.’ Als ze leren om zelfstandiger te worden, en durven te vertrouwen op hun omgeving, klampen ze zich vanzelf minder vast. Ook in de therapie doen we dat: in het eerste jaar hebben we twee sessies per week, in het tweede jaar bouwen we dat af tot eens per maand.”

Roept het beëindigen van die therapie dan niet ook verlatingsangst op?

„Daar waren we eerst wel bang voor: als we mensen met borderline een veilige hechtingsomgeving bieden, en een ouderrol vervullen, komen we dan ooit nog van ze af? Maar in de praktijk blijkt dat goed te werken. Als je in voldoende mate aan deze fundamentele behoefte aan veiligheid voldoet, leert de patiënt blijkbaar gezonder omgaan met relaties.”

Hoe komt het dat vooral vrouwen de diagnose borderline krijgen?

„Dat is een van de raadselen van de gezondheidszorg. Uit epidemiologische studies, dus onderzoek naar het voorkomen van borderline onder de bevolking aan de hand van vragenlijsten, blijkt de man-vrouwverhouding ongeveer fifty-fifty te zijn. Maar in de praktijk is 80 tot 90 procent van de mensen met BPD bij de GGZ vrouw. Er wordt wel geopperd dat mannen met borderline sneller in de verslavingszorg terechtkomen, omdat ze wellicht zelf sneller hun drank- of drugsverslaving als probleem communiceren dan hun heftige gevoelsleven. Bovendien komen mannen vaker in de criminaliteit terecht: vrouwen richten de agressie hoofdzakelijk op zichzelf, mannen uiten hun woede eerder naar buiten.”

Hoeveel mensen lijden aan BPD?

„Het is lastig om precieze aantallen te geven, maar ik ga uit van maximaal 1 op de 100 mensen. Het is een glijdende schaal: mensen kunnen in verschillende mate van dezelfde klachten last hebben – voor de een is het nog wel te verdragen, terwijl een ander niet meer kan functioneren. Net zoals iedereen wel eens hoofdpijn heeft, maar het niet bij iedereen migraine wordt.

„In de praktijk hebben mensen ook pas echt de behoefte aan behandeling als ze vastlopen op een bepaald aspect in hun leven – hun werk, relaties. Niet voor niets worden veel mensen met BPD gediagnosticeerd als ze 20, 30 zijn – een levensfase waarin dat vastlopen voelbaar wordt. Vaak hebben ze dan al meerdere therapieën achter de rug.”

Op het congres sprak u onder meer over de grootste uitdaging binnen de schematherapie. Welke is dat?

„Het beter beschikbaar maken van schematherapie voor degenen die er het meeste behoefte aan hebben. De bewezen effectieve therapieën zijn nog onvoldoende toegankelijk voor mensen die ze nodig hebben, en worden bovendien niet altijd op de juiste wijze gegeven. Sommige instellingen geven bijvoorbeeld een verdunde versie van schematherapie, met een contactmoment per week in plaats van twee in het eerste jaar. Dat is zonde, want dan knapt de patiënt onvolledig op – mensen hebben het bij schematherapie nodig dat hun geheugen voldoende vaak wordt opgefrist. Vergelijk het met het leren van een nieuwe taal: dat slaat ook alleen aan als je vaak genoeg oefent.

„Als je een nieuw medicijn op de markt brengt, is het ook onvoorstelbaar als je niet eerst de gewenste dosis of frequentie uitgebreid onderzoekt. Hetzelfde geldt voor het voortijdig staken van de behandeling – net zoals bij antibiotica moet je bij schematherapie ook gewoon de ‘kuur’ afmaken. Als dat gebeurt, dan ziet de toekomst voor mensen met borderline er zo slecht nog niet uit.

„We zijn nu met een onderzoek bezig om te toetsen of bij groepsschematherapie de succesratio nog groter is dan bij individuele therapie. Bovendien blijken niet alleen de borderlinesymptomen – bijvoorbeeld zwart-witdenken, impulsief gedrag – af te nemen, maar voelen veel patiënten zich daadwerkelijk gelukkiger. En daarvoor doe je het uiteindelijk.”