Gloedwolk van lava en gas leidde tot een tsunami die het oude Kreta trof

De grote vulkanische uitbarsting op het Griekse eiland Thera, rond 1.600 v.Chr., veroorzaakte een tsunami die Kreta trof, en de toenmalige Minoïsche beschaving een zware klap toebracht. Het is altijd de vraag geweest wat die tsunami heeft veroorzaakt. Kwam het doordat de komvormige kraterwand van de vulkaan inzakte, en daarbij een enorme watermassa verplaatste richting het 120 kilometer zuidelijker gelegen Kreta? Of werd het water in beweging gebracht door een zogeheten pyroclastische stroom, een golf van lava, gas en as die snelheden van 700 km/uur kan bereiken?

Dat laatste, concludeert nu een internationaal team van aardwetenschappers op basis van een reconstructie van zeebodemlagen rond en in het vulkanisch eiland (Nature Communications, 8 november).

De vulkaanuitbarsting op Thera (het huidige Santorini) staat te boek als wereldwijd een van de zwaarste sinds het eind van de laatste ijstijd zo’n 12.000 jaar geleden. Op het eiland verdween de stad Akrotiri onder een dikke laag puin. Onderzoek heeft aangetoond dat de noordkant van het toenmalige handelscentrum Kreta getroffen werd door een metershoge tsunami. Havens en kustplaatsen werden grote schade toebracht.

De hypothese dat de tsunami veroorzaakt zou zijn door het ineenzakken van de vulkaanwand, is niet raar, gezien de huidige vorm van het vulkanisch eiland. Materiaal zou via openingen in het noordwesten en zuidwesten de zee in kunnen zijn gestroomd. Of wellicht hebben de verzakkingen die openingen gecreeërd, of groter gemaakt (die in het noordwesten was er namelijk al). Maar uit de nu gepubliceerde reconstructie komt een heel ander verhaal.

De geologen onderscheiden vier fases. Het begon met een lichte eruptie buiten de kraterkom, gevolgd door zwaardere erupties die met hun puin en as de toen nog bestaande noordwestelijke opening naar zee afsloten. Vervolgens verdween al het water dat nog in de krater stond – het werd met uitbarstingen meegeslingerd, of verdampte. En toen volgden de pyroclastische stromen, die voor een tsunami zorgden.

Dat er een waterloze fase moet zijn geweest lezen de geologen af aan de samenstelling van een van de zeebodemlagen. Ook concluderen ze uit de opeenvolging van bodemlagen dat de kraterwand pas na de eruptie is ingezakt. Omdat het eiland toen afgesloten was van zee, kan dat geen tsunami hebben veroorzaakt. Vervolgens is er ten noordwesten van het eiland een grote landverzakking geweest, richting het vulkanisch eiland. Die sloeg een gat, waardoor water vanuit zee weer de kraterkom in kon lopen. De openingen in het zuidwesten zijn waarschijnlijk ook zo ontstaan.