Wie koos voor rood, wie voor blauw?

Foto MANDEL NGAN/AFP

Het platteland won van de stad. Blank won van zwart en latino. Mannen wonnen van vrouwen en laagopgeleid versloeg hoogopgeleid.

Eén blik op de uitslagenkaart van 2016 versus die van 2008 en 2012 leert daarnaast aan wie Trump zijn overwinning te danken heeft: de kiezers van de Rust Belt, de traditionele industriestaten in het noordoosten en midden-westen. Trump voerde hier niet-aflatend campagne. Hij won West Virginia, Wisconsin, Ohio, Indiana, Pennsylvania en waarschijnlijk nipt ook Michigan. Clinton won alleen Illinois. Vrijwel al deze Rust Belt-staten gingen de afgelopen twee keer naar Obama, op West Virginia na (en in 2012 Indiana). Het laat zien hoezeer de Democraten aansluiting verloren hebben met de blanke arbeidersklasse, mannen en vrouwen, die in groten getale voor Trump hebben gestemd.

De gegevens over het stemgedrag van dinsdag laten zien hoe diep de breuklijnen zijn die deze politieke aardbeving veroorzaakten. Ruim de helft van de witte kiezers stemde Republikeins, terwijl bijna 9 van de 10 Afro-Amerikanen en tweederde van de latino’s Democratisch stemde. Vrouwen hebben met een verschil van dubbele cijfers voor Hillary Clinton gekozen, terwijl witte mannen overweldigend voor Trump hebben gestemd. Het grootst is het contrast onder Amerikanen met alleen een middelbareschoolopleiding: driekwart van de laagopgeleide Afro-Amerikanen, latino’s en andere minderheden koos voor Clinton, 67 procent van de laagopgeleide witte kiezers voor Trump.

Maar dit is niet de enige reden dat Trump heeft gewonnen. Hij heeft het bij sommige kiezersgroepen beter gedaan dan vooraf was verwacht. Zo deed Trump het veel beter onder latino’s dan verwacht. Volgens exit polls stemde 29 procent voor Trump, ondanks zijn beledigende opmerkingen over Mexicanen. Ter vergelijking: in 2012 bleef Romney steken op 27 procent. Datzelfde geldt voor jonge kiezers tussen de 18 en 29. Vooraf was de verwachting dat die met een overweldigende meerderheid op Clinton zouden stemmen. Maar Clinton bleef in deze groep steken op 55 procent, terwijl 37 procent zijn stem op Trump uitbracht.

Uit de exit polls blijkt verder dat blanke evangelicals toch in grote meerderheid op Trump hebben gestemd: 81 procent, tegen 16 procent voor Clinton. Dat is de beste uitslag voor de Republikeinse kandidaat sinds 2004, toen George W. Bush 78 procent van de streng-christelijke kiezers achter zich kreeg. Hun onverwacht grote steun voor Trump – ondanks diens wisselende standpunten over abortus, zijn levenswandel en alle ophef over zijn gedrag jegens vrouwen – heeft ook een belangrijke rol gespeeld bij zijn overwinning. Blanke evangelicals vormen eenvijfde van alle geregistreerde kiezers.

Officiële cijfers over de opkomst zijn er nog niet. Volgens The United States Election Project van de Universiteit van Florida, zijn nu 128.843.000 stemmen geteld, wat neerkomt op een opkomst van 55,6 %, lager dan in 2012 en in 2008. Hillary Clinton kreeg iets meer stemmen dan Trump, wat haar in een vergelijkbare positie bracht als Al Gore in 2000: wel de popular vote, niet de kiesmannen.

Als bewijs voor de diepe polarisatie werd tijdens deze campagne vaak naar de gender gap verwezen, het verschil in stemgedrag tussen mannen en vrouwen. Van de vrouwelijke kiezers stemde 54 procent op Clinton, voor mannen was dit 41 procent. Dat is een recordverschil van 13 procentpunt.

De gender gap is sinds Ronald Reagan gestaag gegroeid. Maar dit is zeker niet de diepste kloof die de Amerikaanse samenleving doorsnijdt. Dat is de kloof tussen zwart en wit. Van de blanke kiezers stemde 58 procent op Trump - niet alleen laagopgeleide witte kiezers, ook de witte middenklasse hielp hem aan de overwinning – van de zwarte kiezers slechts 8 procent. Ook de kloof tussen stad en platteland is van die orde van grootte: op het platteland stemde tweederde voor Trump, in de stad eenderde. Bij de Democraten is dat precies omgekeerd. Aan president Trump de taak dit bipolaire Amerika bijeen te brengen.