Als baanwielrenner is hij verlost van knarsende botten

Baanwielrennen

Harrie Lavreysen was BMX’er. Toen vorig jaar zijn schouders voor de 25ste keer uit de kom schoten, moest hij stoppen. En nu is hij baanwielrenner.

Foto Bastiaan Heus

Harrie Lavreysen (19) slaapt sinds een paar maanden met een tuigje om zijn polsen, bevestigd aan een soort korte broek, om te voorkomen dat zijn schouders uit de kom schieten als hij in zijn lievelingshouding gaat liggen – op zijn buik, handen onder het kussen. Hij zou om de haverklap wakker worden van de pijn, en dan moet hij het gewricht zelf zetten, als dat al lukt. Hij kan nu alleen op zijn rug liggen.

Lavreysen heeft, zacht uitgedrukt, soepele schouders. Maar daar had hij tot twee jaar geleden eigenlijk geen last van. En hij deed al aan BMX’en sinds zijn zesde, begonnen bij De Durtrappers in het Brabantse Luyksgestel. Als tiener werd hij drie keer Nederlands en Europees kampioen. Hem werd een glansrijke carrière toegedicht, met de Spelen van Tokio in 2020 als apotheose. Maar ja, die schouders.

Verkeerde timing

De eerste keer dat het fout ging had Lavreysen net een plekje verdiend op nationaal sportcentrum Papendal. Zestien jaar jong, en dan al op kamers. Maar een week voor hij zijn intrek zou nemen vond hij zichzelf plat op zijn buik terug, onder aan de starthelling bij een wedstrijd in Duitsland. Schouder uit de kom. Hij had al willen fietsen toen het starthek nog omhoogstond. Kwestie van verkeerde timing. „Ik lag daar maar, ik kon niks”, vertelt hij ietwat onthecht. „In de ziekenwagen hebben ze m’n schouder gezet. Je voelt de botten knarsen.”

Nog die week werd Lavreysen geopereerd. De banden om het gewricht werden ingekort, het beschadigde kapsel hersteld met drie haakjes. En toen kon de revalidatie beginnen – drie tot zes maanden.

De eerste training, na weken en weken van zorgvuldig herstel, en boem, weer op zijn neus, met zijn armen gestrekt voor zich uit, zijn rechterschouder weer uit de kom. Inmiddels kon hij zelf zetten, maar hij had zijn spieren om het gewricht zo goed getraind dat het niet wilde. Laura Smulders, zevende op de Spelen van Rio bij de dames-BMX’ers, moest eraan te pas komen om de schouder op zijn plek te krijgen.

Een scan liet een kapot gewricht zien. De operatie die volgde was zwaar: er werd een stuk bot uit zijn sleutelbeen gehaald en die werd met twee schroeven ter versteviging aan het geplaagde gewricht gezet. Weer lag hij er een half jaar uit. Bij een derde poging bracht de wind hem uit balans en kwam hij boven op een hindernis terecht. De klap sloeg nu beide schouders uit de kom. De artsen waren duidelijk: stop hiermee.

Tuurlijk, BMX’en is een harde discipline, zeker toen de sport in de slag om de kijker een stuk gevaarlijker werd bij het invoeren van de Supercross, voor het eerst op de Spelen van 2008, en er voortaan hindernissen tot wel acht meter hoog moeten worden genomen. Het is de reden dat Elis Ligtlee haar succesrijke loopbaan als BMX’er inruilde voor het ongewisse op de houten wielerbaan. En dat legde haar geen windeieren – ze werd afgelopen zomer olympisch kampioene op de keirin in Rio de Janeiro.

Kennelijk hebben de twee sporten raakvlakken. Explosiviteit is bij beide vereist, stuurmanskunst idem. Maar de kruisbestuiving komt hier vandaan: de BMX’ers worden tegelijk met de baanwielrenners te Papendal fysiek getest op hun piekvermogen, op een zogenoemde wattbike. Daar was Lavreysen al opgevallen. Talentcoach Steve McEwen had hem zelfs al eens kennis laten maken met een baanfiets, maar dat had toen niet tot bovengemiddeld veel interesse geleid.

Twee dagen na het slechtnieuwsgesprek met de artsen stapte hij toch maar over. Dan maar op een baanfiets naar Tokio. Daarna ging het snel: eind vorig jaar werd hij Nederlands kampioen teamsprint. Vorige maand werd hij negende op het EK, samen met Carlo Cesar en Roy van den Berg.

Zenuwachtig komend weekend, bij zijn eerste wereldbekerwedstrijd ooit, op de vernieuwde baan in Apeldoorn? „Dat komt wel.” Bang om te vallen? „Nee zeg, vallen op de baan stelt niets voor. Splinters en schaafplekken, dan heb je het wel gehad.”