Recensie

Tjonge, Tom Wolfe ontdekt Noam Chomsky

Tom Wolfe heeft een hekel aan de Amerikaanse taalkundige, filosoof en activist Noam Chomsky. Hij heeft een hekel aan huiskamergeleerden in het algemeen, en aan die met een links gedachtegoed in het bijzonder. Zo zou je, enigszins vilein, de essentie van Wolfe’s nieuwe boek kunnen samenvatten.

Om aan te tonen wat hem precies dwars zit, richt Wolfe zijn pijlen op Chomsky. Diens theorie over de universele grammatica, het ingebouwde taalorgaan waarmee een mens was geboren, was decennia lang een paradigma dat binnen de linguïstiek recht overeind stond en waarop een hele school werd gebouwd.

Vooral door de bevindingen van linguïst Daniel Everett, die jarenlang onderzoek deed bij de Pirahã-stam in Brazilië, staat dit hele fundament al geruime tijd ter discussie. En het heeft Chomsky (1928) en zijn volgelingen pijnlijk veel moeite gekost aan de twijfels toe te geven. Ook in dit geval ligt de sympathie van Wolfe duidelijk bij de mensen in het veld, en niet bij de universiteitsgeleerden ‘in hun airconditioned kantoren’.

Het venijn waarmee Wolfe (1931) Darwin en vooral, op een zeer persoonlijke en hatelijke manier, Chomsky bestrijdt, lijkt te wijzen op een diepere achtergrond voor deze in essayvorm gegoten tirade. Wolfe beseft gelukkig dat hij zo’n grondig tapijtbombardement op de academische wereld niet kon uitvoeren zonder een eigen inzicht te formuleren.

Welnu, dat komt er ook, in zijn laatste hoofdstuk. ‘Bam! Op een heldere nacht kwam het bij me op […] iets wat zo volkomen vanzelf sprak dat ik amper kon geloven dat geen gediplomeerde geleerde er ooit eerder op had gewezen. Er is een kardinaal onderscheid tussen mens en dier, een steile scheidslijn […] te weten spraak.’

Maar Tom... die ‘bam!’ was heel wat minder hard aangekomen als je je wat breder had geïnformeerd. Dat de beschikking over taal en spraak het essentiële onderscheid is tussen mens en dier, en er voor verantwoordelijk is dat de mens en niet bijvoorbeeld de zebra de planeet regeert (en ook niet de poes overigens, wat misschien wel jammer is) is niet alleen bij die al dan niet ‘gediplomeerde geleerden’, Chomsky-aanhangers én hun tegenstanders, maar ook bij miljoenen geïnteresseerde leken al decennia, zo niet langer, geaccepteerd gedachtegoed.

Hoe en waar die faculteit is ontstaan en zich ontwikkelt is inderdaad, zoals Chomsky heeft moeten toegeven, nog steeds een raadsel. Maar voor het oplossen van dit raadsel is de bijdrage van Wolfe van nul en generlei waarde.

Hij schreef met Het koninkrijk van de taal een warrig broddelwerkje dat via bizarre zijpaden een statement probeert te maken dat op een droevige manier zijn incompetentie laat zien in een wetenschappelijk debat.