Column

Onze gestolde meritocratie

maartenschinkel0

Was het identiteit of economie? Die vraag zal onderzoekers nog heel lang bezighouden nu Donald Trump president van de Verenigde Staten wordt. En hoewel een parochiale (en masculiene) nostalgie in een globaliserende cultuur misschien voor de tegenreactie heeft gezorgd die Trump aan de macht bracht, moet er toch een lans gebroken worden voor economische argumenten.

Vorige week publiceerde de Europese denktank Bruegel een onderzoek naar ongelijkheid in Europa, waarin ook de VS een rol spelen. Met name de uitkomst dat in de VS de mobiliteit tussen generaties er het slechtst voorstaat in vergelijking met alle andere onderzochte westerse landen geeft te denken. Kinderen wijken steeds minder af van hun ouders waar het hun inkomen betreft. Veel ouders vermoeden dat hun kinderen het niet beter krijgen dan zijzelf.

De vraag is nu of dit een economisch fenomeen is, of een maatschappelijk. Om met de economie te beginnen: inkomensongelijkheid en vermogensongelijkheid beïnvloeden elkaar. Meer inkomen genereert, indien gespaard, meer vermogen. En meer vermogen, denk vooral aan het eigen huis dat in waarde stijgt of goeddeels is afgelost, maakt de inkomenspositie van de volgende generatie beter. Zo komt de cirkel op gang.

Dit is, in grote lijnen, de dynamiek die Thomas Piketty al beschreef in zijn Kapitaal in de 21ste eeuw. Maar hoe werd dit een bestendig fenomeen? Grote kans dat we daarvoor terug moeten naar de vorige eeuw, toen rangen en standen van grote maatschappelijke invloed waren. Juist de emancipatie van wat de ‘arbeidersklasse’ werd genoemd bracht daar verandering in. De dochter en zoon van de trambestuurder en zijn vrouw konden naar de universiteit en ontworstelden zich zo aan hun afkomst. Talent dat voorheen in zijn klasse gevangenzat kon, eenmaal ontteugeld, de samenleving naar zijn hand zetten.

Je kunt je afvragen of dat proces oneindig was. We kunnen nu net zo goed getuige zijn van een proces waar ieder, eenmaal op de plek in de meritocratie waar hij of zij geland is, binnen de eigen groep een partner zoekt. Zo ontstaat een nieuwe samenleving van rangen en standen, waar de economische tweedeling opnieuw een feit wordt, een soort ‘gestolde meritocratie’.

Sociale mobiliteit neemt onder die omstandigheden af. Zou dit de blinde vlek zijn die de bovenlaag van de maatschappij nu wederom parten speelt, en die verhindert dat zij de onvrede onder de burgers überhaupt nog waarneemt? Een van de weinige groepen in ons land die zich nog onttrekt aan deze gestolde meritocratie zijn de nieuwe Nederlanders, wier vader of grootvader voor zijn arbeid naar Nederland werd gehaald, en wier kinderen, met name de dochters, doorstuderen. Daar is het proces nog niet voltooid.

Maar voor de rest? Als iedereen zit waar hij zit, en bezits- en inkomensposities van generatie op generatie beginnen te bestendigen, dan krijgt de bovenlaag uiteindelijk ten onrechte de indruk zijn positie zelf te hebben ‘verdiend’. En impliciet wordt dit dan ook gedacht van de onderlaag. Zo zijn we weer anderhalve eeuw terug in de tijd.

Daarom is onderwijs, gratis en voor iedereen toegankelijk, zo belangrijk. Ook het hoger onderwijs. Daarom is het zo verschrikkelijk dom beurzen af te schaffen en van de studiefinanciering een lening te maken. Of om de typische doorstroomstudies, van mbo naar hbo, te verwaarlozen. Dom en link. Wie voor anderen de weg naar boven afsnijdt, zaagt de tak door waarop hij zelf zit.