Opinie

Niet goed, geld terug

Medicijnen zijn niet voor niets zo duur, schrijven en . Wel is bij de prijsbepaling meer maatwerk nodig. Bijvoorbeeld met een pay for benefit overeenkomst. „Als een middel niet werkt, hoeft er niet voor te worden betaald.”

Foto ANP / Remko de Waal

Er is veel vooruitgang geboekt bij de bestrijding van bijvoorbeeld kanker en hiv. Deze en andere ziektes veranderen geleidelijk van een dodelijke ziekte naar een chronische aandoening. Dat is vooral te danken aan niet aflatende inspanningen van farmaceutische bedrijven. Momenteel zijn er wereldwijd zo’n zevenduizend nieuwe geneesmiddelen in ontwikkeling, waarvan ruim 1.800 gericht op kanker. Ontwikkelen, testen en registreren van een nieuw geneesmiddel is een taai proces, dat al snel tien jaar duurt. Slechts twaalf procent van alle nieuw ontwikkelde geneesmiddelen komt bij de patiënt, de meesten vallen af vanwege de strenge eisen aan effectiviteit en veiligheid.

Al dat werk levert niet alleen gezondheidswinst en een betere kwaliteit van leven op voor patiënten. Nieuwe geneesmiddelen maken de zorg beter en vaak (uiteindelijk) ook goedkoper.

Maar het heeft ook een prijs. Een miljard euro is geen ongebruikelijke investering voor de ontwikkeling van één nieuw medicijn. Die kosten en het bijbehorende risico komen voor het overgrote deel voor rekening van geneesmiddelenfabrikanten.

De overheid kan ook meer investeren in medicijnontwikkeling. Als brancheorganisatie pleiten wij voor een intensievere publiek-private samenwerking. In andere westerse landen gebeurt dit op grotere schaal, en met succes. De Kenniscoalitie liet onlangs nog weten dat onze overheid jaarlijks een miljard euro moet vrijmaken voor de wetenschap, als we willen dat Nederland in de eredivisie blijft meespelen en in de toekomst ook nog Nobelprijzen wint. Dat geld zou de regering natuurlijk ook kunnen steken in de ontwikkeling van nieuwe medicijnen. Maar de kans dat dit daadwerkelijk gebeurt, is klein. Het is namelijk te duur en te riskant voor een overheid, die werkt met belastinggeld.

We moeten het dus hebben van een privaat model. Miljardeninvesteringen door de bedrijven zijn alleen mogelijk dankzij aandeelhouders, vooral de pensioenfondsen en andere institutionele beleggers. Zij verwachten een goed rendement over hun risicovolle investering. Octrooien geven de zekerheid dat investeringen kunnen worden terugverdiend. Zo’n octrooi (patent) is essentieel, omdat er anders onvoldoende geïnvesteerd wordt in medicijnontwikkeling. Maar ze zorgen er ook voor dat een nieuw geneesmiddel de eerste acht à tien jaar een prijskaartje heeft. Als het octrooi vervalt kunnen anderen het goedkoop namaken. Dat zorgt voor forse prijsdalingen.

Koploper in Europa

In Nederland worden steeds meer van deze goedkope generieke geneesmiddelen gebruikt; daarin zijn we zelfs koploper in Europa. Tien jaar geleden was nog niet de helft van alle verkochte geneesmiddelen generiek, nu is dat al ruim tweederde. Dat betekent dat het leeuwendeel van onze medicijnen tegen een zeer lage prijs verkrijgbaar is. En we gebruiken ook weinig medicijnen. Daarom liggen de Nederlandse uitgaven voor medicijnen onder het Europees gemiddelde.

Jaarlijks geeft Nederland ruim vijf miljard euro uit aan medicijnen. Dit bedrag is al jaren vrij constant en beslaat acht procent van het totale zorgbudget.

Binnen dit budget moet wel ruimte blijven voor nieuwe baanbrekende geneesmiddelen. Tegelijk moeten we de zorguitgaven in de hand houden. Geneesmiddelenbedrijven zijn niet doof voor de kritiek op de hoge prijzen van sommige nieuwe medicijnen. Je zult maar lijden aan een ziekte waarvoor sinds kort een effectief medicijn is, dat verzekeraars niet vergoeden vanwege de kosten. Daarom kijken we nu kritisch naar het verdienmodel. Medicijnprijzen worden momenteel veelal bepaald door investeringen én aantoonbare positieve effecten. Denk hierbij aan een betere gezondheid, minder ziekenhuisopnames en minder uitkeringen voor arbeidsongeschiktheid. Naast de prijs speelt ook het volume mee in de uitgaven aan een bepaald geneesmiddel. Door naar deze factoren in samenhang te kijken is er ruimte voor alternatieve afspraken.

Geen standaardrecept

Er is geen standaardrecept voor het beste model, omdat de kosten en opbrengsten, het gebruik en de verwachte budgetimpact van geneesmiddelen sterk verschillen. Dat betekent dat maatwerk nodig is. Dat kan prima door voor deze geneesmiddelen decentrale afspraken te maken tussen de bedrijven, zorgverzekeraars en ziekenhuizen. Dat kan bijvoorbeeld door prijs-volume afspraken te maken of met pay for benefit overeenkomsten: als een middel niet werkt, hoeft er niet voor te worden betaald. In bijzondere gevallen zal het beter werken als dit op centraal niveau gebeurt, met actieve betrokkenheid van de overheid. Hoe dan ook: we streven naar meer flexibiliteit. Maatwerk komt ook de snelheid ten goede. Want patiënten kunnen niet wachten.

Het is helder dat alle partijen in het zorgveld elkaar hard nodig hebben, als we de zorg op hoog niveau, toegankelijk en betaalbaar willen houden. Daarom zijn we intensief in gesprek met patiëntenorganisaties, zorgverzekeraars, ziekenhuizen, specialisten én de overheid. In dit verband is het ook interessant om te zien wat er in andere landen gebeurt. In België en Ierland tekenden alle betrokken partijen bijvoorbeeld een meerjarig pact om de innovatie en het budget voor nieuwe geneesmiddelen zeker te stellen, met afspraken over de groei in uitgaven. Een dergelijke brede aanpak biedt in Nederland ook kansen voor een betere en betaalbare zorg, zonder dat de broodnodige innovatie tot stilstand komt.

Komende winter werken we onze ideeën hiervoor verder uit. Ze zijn terug te vinden in de Nationale Innovatie Agenda Geneesmiddelen, die we begin 2017 presenteren.

Paul Korte en Gerard Schouw zijn voorzitter en directeur van de Vereniging Innovatieve Geneesmiddelen